De
Grutto (Limosa limosa) in de Kalkense Meersen.
Historiek,
broedsucces en toekomstperspectieven
Robbert
Schepers

foto
: Marc Van den Bril
Scriptie
voorgelegd tot het behalen van de graad van Master in de
Biologie
Academiejaar
2009/2010
Promotor: Prof.
dr. Johan Mertens
Begeleiders:
Dr. Jenny De Laet, ABLLO vzw
Peter Claus,
Regionaal Landschap Schelde-Durme
1
Inleiding
1.1
Algemeen
Bijna
alle broedende weidevogels in Europa vertonen de laatste decennia
een afname in populatiegrootte (Thorup 2006). Een daling in het
broedsucces wordt aangeduid als de drijvende kracht achter deze
trend (Green 1988, Peach et al. 1994, Besbeas et al.
2002, Ottvall 2005, Schekkerman et al. 2008). Men neemt aan
dat de intensivering van het agrarisch graslandgebruik de
voornaamste oorzaak is van deze achteruitgang (Beintema et al.
1997, Kruk et al. 1997, Vickery et al. 2001, Wilson et
al. 2004, Schekkerman & Beintema 2007).
Het
landgebruik op grasland is in de tweede helft van de twintigste
eeuw aanzienlijk veranderd en een groot deel van de laag gelegen
graslanden wordt tegenwoordig intensief bewerkt. De belangrijkste
gevolgen van deze intensivering van de landbouw zijn een verlaging
van de grondwatertafel, een verdubbeling van de mestgift, een
omschakeling van hooi naar ingekuild gras en hogere veedichtheden.
Structuur- en soortenrijke grasvegetaties werden vervangen door
dichte, snelgroeiende, uniforme grasmatten die gedomineerd worden
door competitieve soorten. Deze ommekeer heeft ertoe geleid dat
grasland tegenwoordig minder geschikt is als foerageer- en
broedhabitat voor vogels (Vickery et al. 2001).
Bemesting
en het verlagen van de grondwatertafel bevorderen een snellere
groei van het gras waardoor er steeds vroeger kan gemaaid worden.
De vogels passen zich wel enigszins aan, maar ze kunnen deze
wedren toch niet helemaal bijhouden met als gevolg dat heel wat
nesten en jongen verloren gaan door uitmaaien (Beintema et al.
1995). Gemaaid grasland biedt minder bescherming voor de kuikens
waardoor ze gemakkelijker gepredeerd worden (Schekkerman et al.
2005). Reeds gemaaid grasland is bovendien niet geschikt voor
gruttokuikens die foerageren op in de vegetatie levende insecten.
Op gemaaide percelen zijn namelijk maar half zoveel insecten
aanwezig in vergelijking met ongemaaide. Om deze reden vinden
kuikens niet veel voedsel en moeten ze veel meer tijd besteden aan
foerageren (Schekkerman et al. 1997). De vegetatie op
bemeste percelen is meer uniform en de structurele diversiteit die
gevonden wordt op niet-bemeste percelen ontbreekt. De nesten van
weidevogelsoorten die berusten op cryptisch gekleurde eieren,
zoals grutto (Limosa limosa) en kievit (Vanellus
vanellus), zijn hierdoor meer zichtbaar hetgeen predatie in de
hand werkt (Baines 1990). Bovendien is er de directe invloed van
de mestaanwending op de nesten met eieren. Nieuwe
landbouwtechnieken zoals mestinjectie reduceren de kans dat een
nest overleeft tot een minimum en de toegenomen veedichtheden
resulteren in grote verliezen door vertrapping (Beintema et al.
1995).
Intensieve
bemesting heeft eveneens een invloed op de voedselbeschikbaarheid.
Bij toenemende bemesting daalt de kruidenrijkdom van de vegetatie
en als gevolg de diversiteit aan insecten waarmee kievit- en
gruttojongen zich voeden (Beintema et al. 1995). Siepel
(1990) constateerde ook een sterke afname van de gemiddelde
grootte van de vegetatiefauna bij toenemende bemesting. De
abundantie van regenwormen, samen met emelten het stapelvoedsel
van volwassen grutto’s, neemt bij bemesting daarentegen toe
(o.a. Standen 1984, Hansen & Engelstad 1999).
Bijgevolg
trappen grutto’s en andere weidevogels in een ‘ecologische val’.
Ze kiezen een nestplaats op bemeste percelen omdat daar voor
volwassen individuen meer voedsel aanwezig is (Kleijn et al.
2001) en omdat het gras daar langer is, wat ze prefereren om hun
nest te maken (Beintema et al. 1995). De bemeste percelen
beschikken echter over een lager voedselaanbod voor de jongen en
worden sneller gemaaid dan onbemeste reservaatpercelen. Voor de
kievit geldt een gelijkaardig scenario, maar dan vooral op
maïsland waar de verliezen hoofdzakelijk een gevolg zijn van het
ploegen, rollen en inzaaien van de gewassen.
Intensivering van
de landbouw is echter niet de enige oorzaak van de achteruitgang.
Recent wordt ook het belang van toenemende predatiedruk benadrukt
(Teunissen et al. 2008). Predatie is de meest voorkomende
natuurlijke verliesoorzaak bij weidevogels (Bos & Vugteveen
2005). Meestal worden zwarte kraaien en de vos door
natuurbeschermers en landbouwers aangeduid als de belangrijkste
predatoren. Er is echter nog weinig geweten over de identiteit van
de predatoren die verantwoordelijk zijn voor het roven van eieren
of het doden van jongen. Een studie uit Nederland, waar nesten
werden uitgerust met camera’s en temperatuursensoren, trachtte
hierop een antwoord te formuleren (Teunissen et al. 2008).
De auteurs troffen een grote variatie aan in de identiteit van
predatoren. Eieren werden vooral door zoogdieren gepredeerd en
kuikens door vogels. Onder de predatie van eieren waren de vos (Vulpes
vulpes) en de hermelijn (Mustela erminea) de
belangrijkste zoogdieren en in mindere mate ook andere
marterachtigen. Kuikens werden vooral geroofd door buizerd (Buteo
buteo), blauwe reiger (Ardea cinerea), hermelijn en in
mindere mate zwarte kraaien (Corvus corone). Bos &
Vugteveen (2005) vermelden dat ratten ook belangrijkere predators
kunnen zijn dan wordt gedacht.
In Nederland,
waar ongeveer de helft van de (noord)West-Europese gruttopopulatie
broedt (Hagemeijer & Blair 1997), proberen de overheid en
natuurbeschermingsorganisaties al lange tijd weidevogels te
beschermen via agrarisch natuurbeheer. Dit gebeurt in reservaten
maar ook door het afsluiten van contracten met boeren, die een
financiële tegemoetkoming krijgen voor het later maaien of
beweiden van percelen, het beschermen van nesten, enz. Sommige
maatregelen zijn toegesneden op de grutto maar men neemt aan dat
deze ook voor andere weidevogelsoorten gunstige effecten hebben.
Recente studies tonen aan dat deze beheerovereenkomsten echter
niet het gewenste resultaat opleveren (Kleijn et al. 2001,
Schekkerman et al. 2005). De gegevens van Schekkerman et
al. (2005) wekken zelfs de indruk van een teruglopend
broedsucces van Nederlandse grutto’s in de afgelopen decennia,
ook in gebieden waar volgens de geldende inzichten voldoende
kuikenland (voor jongen geschikt foerageerhabitat, m.a.w. lang en
niet gemaaid gras) aanwezig was. Maatregelen zoals een uitgestelde
maaidatum kunnen wel een gunstige invloed hebben op de overleving
van nesten en kuikens, maar het reproductief succes van grutto’s
is gemiddeld onvoldoende om de jaarlijkse sterfte van volgroeide
vogels te compenseren (Schekkerman & Müskens 2000). Als er al
sprake is van een hoger broedsucces in gebieden met agrarisch
natuurbeheer is dit meestal te wijten aan een hogere uitkomstkans
van legsels, die op zijn beurt weer het gevolg is van geringere
agrarische nestverliezen. De mortaliteit van kuikens ligt
daarentegen meestal nog te hoog. Aangezien de overleving van
kuikens een positieve relatie vertoont met het gemiddelde aanbod
aan niet gemaaide percelen wijzen maatregelen om het agrarisch
natuurbeheer effectiever te maken in de richting van een hoger
aanbod aan niet gemaaid grasland tijdens de belangrijkste
kuikenperiode (Schekkerman et al. 2005).
Ondanks de
negatieve vaststellingen in Nederland en andere landen inzake
populatiegrootte (Trolliet 2000, Altenburg & Wymenga 2000,
Teunissen 2000, Busche 1994), wordt deze negatieve trend niet
vastgesteld in België. Volgens Devos et al. (2003) is er
zelfs sprake van een toename van het broedbestand bij kievit en
grutto en ook Vermeersch et al. (2006) stellen een
positieve trend vast. Vermeersch et al. (2006) leggen wel
de nadruk op een meer kritische en terughoudende beoordeling van
de toestand van de weidevogels in Vlaanderen aangezien de
positieve trends die zij observeerden ten dele kunnen vertekend
zijn door de erg gunstige weersomstandigheden in de
waarnemingsperiode. In de kerngebieden blijkt het broedsucces van
grutto’s echter erg laag te zijn, zoals blijkt uit een studie in
het Antwerpse Linkeroevergebied. In de periode 1997-2002
overleefden daar slechts 0,18-0,26 gruttojongen per broedpaar,
alhoewel voor de instandhouding van een populatie 0,5-0,8
vliegvlugge jongen per paar vereist zijn. (Van Impe 2004,
Schekkerman & Müskens 2000). Ook voor de kievit was het
broedsucces te laag. Er zouden dus aanwijzingen zijn dat de
toename van de Vlaamse weidevogelpopulaties eerder te verklaren is
door nieuwe vestigingen van adulte vogels van elders dan door
effectieve jongenaanwas uit de lokale populaties. De Vlaamse
populaties fungeren dan mogelijk als sink-populatie (Vermeersch et
al. 2006).
Ook in het
studiegebied van dit onderzoek, de Kalkense Meersen, steeg de
populatie grutto’s de afgelopen jaren, met een maximum van 30
koppels in 2002. Momenteel stagneert de populatie rond 25
broedparen. Aangezien een specifiek weidevogelbeheer nodig is in
het agrarische gebied om de weidevogelpopulaties in stand te
houden (Beintema 1995, Schekkerman & Müskens 2000) en als
voorbereiding op het geactualiseerde Sigmaplan (zie verder) is het
Regionaal Landschap Schelde-Durme in opdracht van het Agentschap
voor Natuur en Bos en in samenwerking met de Provincie
Oost-Vlaanderen in 2008 gestart met een soortenbeschermingsproject
rond weidevogels in de Kalkense Meersen. Dit weidevogelproject
heeft twee doelstellingen. Enerzijds de instandhouding en
uitbreiding van de broedpopulatie van weidevogels, grutto in het
bijzonder, met een belangrijk accent op de Sigmagebieden van de
cluster Kalkense Meersen. Anderzijds het ontwikkelen van
samenwerkingsverbanden en netwerken tussen o.m. lokale
landbouwers, natuurbeschermers en jagers, in het bijzonder
aangaande weidevogels en weidevogelbescherming. Op deze manier
krijgen de landbouwers reeds ervaring met het weidevogelbeheer dat
opgelegd zal worden bij de uitvoering van het geactualiseerde
Sigmaplan. Het project wil op perceelsniveau invulling geven aan
de bescherming van weidevogels door de landbouwer, deels tegen
vergoeding, enkele pakketten maatregelen aan te bieden die het
succesvol grootbrengen van een broedsel bevorderen. De beschikbare
pakketten zijn :
Rustperiode
tussen 1 april en 15 juni (geen landbewerkingen): vergoeding van
350 euro per ha.
Rustperiode
tussen 1 april en 1 juni (geen landbewerkingen): vergoeding van
200 euro per ha.
Extensieve
beweiding tussen 1 april en 1 juni (2 runderen per ha): vergoeding
van 250 euro per ha.
Bescherming van
individuele nesten door vrijwilligers: geen vergoeding.
In 2008 en 2009
besloegen de beheersovereenkomsten een oppervlakte van
respectievelijk 45 ha en 68 ha. In 2010 steeg de oppervlakte onder
beheersovereenkomsten verder tot ongeveer 90 ha.
In zo’n project
is er uiteraard nood aan monitoring om na te gaan of de getroffen
maatregelen wel degelijk tot resultaten leiden. In het verleden
zijn er reeds inventarisaties uitgevoerd van het aantal
broedparen, maar er werd nog nooit enige vorm van onderzoek gedaan
naar het broedsucces van de weidevogels (persoonlijke mededeling
Peter Claus). In het kader van het huidige weidevogelproject werd
een dergelijk onderzoek gevraagd door het Agentschap voor Natuur
en Bos. Deze vraag vormt het onderwerp van deze studie, met een
focus op de grutto.
1.2 Het
geactualiseerd Sigmaplan
Als reactie op de
stormvloed van 1976 werd in 1977 het Sigmaplan opgesteld en in
uitvoering gebracht. Dit plan moest het getijgebonden gedeelte van
de Schelde en haar zijrivieren in Vlaanderen beveiligen tegen
overstromingen als gevolg van stormvloeden uit de Noordzee. Het
Sigmaplan is lange tijd een plan geweest met als enige
doelstelling het bereiken van voldoende veiligheid. Het plan is
echter nooit volledig afgewerkt. Bovendien zou het, zelfs als het
nu afgewerkt zou zijn, niet meer de veiligheid kunnen garanderen
waarvoor het ooit ontworpen werd omdat de fysische omstandigheden
intussen gewijzigd zijn. Stormvloeden komen frequenter voor en de
waterpeilen zijn hoger. Daarenboven wordt nog een verdere
zeespiegelstijging verwacht als gevolg van de klimaatopwarming.
Omwille van bovenstaande redenen en als gevolg van
vooruitstrevende inzichten op vlak van multifuntionaliteit van
rivierecosystemen was er nood aan een nieuw plan. Het
geactualiseerde Sigmaplan bevat naast veiligheid ook de pijler ‘natuurlijkheid’.
Een aanzienlijk deel van het Schelde-estuarium is immers van groot
ecologisch belang (Natura 2000). Door het opnemen en creëren van
natuurkerngebieden, in combinatie met veiligheid, moet het
Sigmaplan bijdragen tot het behalen van de
instandhoudingsdoelstellingen (IHD).
Het optimale
Sigmaplan (veiligheid) en het optimale natuurontwikkelingsplan
werden geïntegreerd in het Meest Wenselijke Alternatief (MWeA)
nadat een consensus ontstond met de belangengroepen. Het MWeA is
het uitgangspunt voor de concretisering van het geactualiseerde
Sigmaplan. In het MWeA worden habitatdoelstellingen vooropgesteld
om de IHD per deelgebied te halen. Deze habitatdoelstellingen
geven een invulling aan de systeem- en soortdoelstellingen.
De Kalkense
Meersen vormen een deelgebied van het Sigmaplan en conform het
MWeA zal het vanaf 2010 volledig ingericht worden als ‘wetland’
waarin o.a. plaats is voor een weidevogelgebied van 180-200 ha
(zie verder, 3.1.1). Het weidevogelproject kadert in dit
geactualiseerde Sigmaplan en dient om de tussentijdse periode tot
aan de inrichting van het weidevogelgebied te overbruggen. Deze
overgangsmaatregelen hebben als doel de weidevogelpopulatie (in
het bijzonder de grutto) zo robuust mogelijk te houden, zodat bij
aanvang van de realisaties i.k.v. het geactualiseerd Sigmaplan op
het terrein gestart kan worden vanuit een zo optimaal mogelijke
uitgangssituatie.
2 Doelstellingen
In het
oorspronkelijk opzet streefde het onderzoek vier doelstellingen
na:
1. Inventariseren
van het aantal broedparen van grutto en kievit in de Kalkense
Meersen en het Aubroek te Berlare.
2. Bepaling van
het broedsucces van grutto’s in termen van bruto territoriaal
succes (BTS) in:
Een gebied met
hoofdzakelijk bemeste percelen zonder beheersovereenkomsten (Het
Aubroek, Berlare).
Een gebied met
hoofdzakelijk bemeste percelen met beheersovereenkomsten
(Broekmeers, Kalkense Meersen).
Een gebied met
hoofdzakelijk onbemeste percelen waar aan natuurbeheer gedaan
wordt (‘Reservaatzone’, Kalkense Meersen).
3. Onderzoeken of
het weidevogelproject effectief zorgt voor een hoger aandeel niet
gemaaid grasland in de kuikenperiode.
4. Opstellen van
een historisch overzicht van het aantal broedkoppels en de
broedlocaties van de gruttopopulatie in de regio Kalkense Meersen.
Na het opstellen
van het historisch overzicht bleek een duidelijke verschuiving van
de broedlocaties naar bemeste percelen. Deze vaststelling riep
nieuwe vragen op en als antwoord daarop werden nieuwe
doelstellingen toegevoegd aan het onderzoek:
5. Bepaling van
het aantal en de biomassa regenwormen aanwezig in de bodem van
bemeste en onbemeste percelen.
6. Bepaling van
de hoogte van de vegetatie in bemeste en onbemeste percelen
7. Bepaling van
de kruidenrijkdom tussen bemeste en onbemeste percelen
Voor het
onderzoek naar het BTS van de grutto’s werd een hoger BTS
verwacht in gebieden onder beheer of beheersovereenkomsten omdat
daar normaal gezien minder verliezen door landbouwwerkzaamheden
optreden en omdat niet gemaaid gras meer voedsel en bescherming
biedt aan kuikens.
De belangrijkste
doelstelling van het weidevogelproject is het aanbieden van een
hoger aandeel niet gemaaid grasland, t.o.v. onbeheerde percelen.
De verwachtingen zijn dan ook dat dit effectief zo is.
Om effecten van
het weidevogelproject op de populatiegrootte te evalueren en om
bepaalde trends waar te nemen en te verklaren is het zinvol een
historisch overzicht op te stellen van de gruttopopulatie. Het
historisch verloop van de broedlocaties werd opgesteld naar
aanleiding van een vermoeden dat er de laatste jaren een
verschuiving plaatsvindt in broedlocaties van onbemeste naar
bemeste percelen in het algemeen en van Molenmeers naar Broekmeers
in het bijzonder. Deze verschuiving is mogelijk te verklaren
doordat op de bemeste percelen (Broekmeers) meer voedsel aanwezig
is onder de vorm van regenwormen en dat de vegetatie er hoger is
op het moment dat de grutto’s arriveren en hun nestplaats
kiezen.
Tenslotte werd de
kruidenrijkdom tussen bemeste en onbemeste percelen onderzocht
omdat dit belangrijke consequenties kan hebben voor de
voedselbeschikbaarheid voor de jongen. Bemeste percelen zijn
doorgaans minder divers en hebben als gevolg een minder rijke
insectenfauna.

Luchtfoto
van de Kalkense Meersen. (Ludo Goossens © Vilda)
3 Materiaal &
methoden
3.1 Studiegebied
3.1.1 Kalkense
Meersen
Het volledige
gebied van de Kalkense Meersen is ongeveer 800 ha groot en ligt op
het grondgebied van de gemeentes Wetteren, Laarne (Kalken),
Wichelen (Schellebelle) en Berlare (Overmere, Uitbergen). Het
wordt begrensd door de hoger gelegen (+5m TAW) dorpskernen van
Overschelde, Heesvelde, Kalken, Overmere en Uitbergen en in het
Zuiden door de Zeeschelde. In het noordoosten sluiten de Kalkense
Meersen aan op het Donkmeer en Berlare Broek, een relatief
uitgestrekt laagveengebied. De Kalkense Meersen bestaan
voornamelijk uit vochtige graslanden en de belangrijkste
toponiemen zijn Kastermeersen, Oude Schelde, Broekmeers,
Molenmeers, Langendonk, Scherenmeersen, Belham, Heisbroek en
Wijmeers (fig. 3.1).

Figuur 3.1.
Belangrijkste toponiemen in de Kalkense Meersen. Deelgebieden van
het studiegebied van dit onderzoek zijn aangeduid in rood.
De Kalkense Meersen zijn gelegen in de
laagvlakte van ‘De Vlaamse Vallei’ en vormen één van de
grootste overblijfselen van de Scheldemeersen. Het is een
alluviale vlakte die omstreeks de 12e eeuw ingepolderd werd en
ligt in een oude meander van de Schelde (10000 jaar oud). Het
gebied bestaat voornamelijk uit kleiige komgronden (natte klei en
natte zware klei), ontstaan door overstromingen vanuit de rivier.
Het zwaarste sediment wordt langs de oevers afgezet, waardoor
zandige oeverwallen ontstaan. Het lichtere sediment bezinkt pas
verder van de rivier in de komgronden. Langs de pleistocene
valleirand komt frequent veensubstraat voor onder de klei. De
Kalkense Meersen zijn een vrij nat gebied maar sinds de
installatie van het pompgemaal in 1975 treedt er toch elk jaar een
duidelijke droge periode op in de zomer.
Het gebied werd in 1996 door de Vlaamse overheid volledig
erkend als natuurgebied. De Kalkense Meersen maken deel uit van
het EG-habitatrichtlijngebied ‘Schelde- en Durmeëstuarium van
de Nederlandse grens tot Gent’ en het maakt bijna volledig deel
uit van het vogelrichtlijngebied ‘Durme en de Middenloop van de
Schelde’. De officiële gebieden van het VEN (Vlaams Ecologisch
Netwerk) 1e fase
behoren tot ‘De Vallei van de Boven Zeeschelde van Kalkense
Meersen tot Sint-Onolfspolder’. De GEN (Grote Eenheden Natuur)
en GENO (Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling) gebieden zijn
respectievelijk 111 ha en 166,5 ha, wat in totaal een
VEN-oppervlakte van 277,5 ha betekent (Degezelle et
al. 2004). Op het gewestplan staat 111
ha ingekleurd als natuurreservaat, 486 ha als agrarisch gebied met
ecologisch belang en 223 ha als valleigebied (Degezelle et
al. 2004). Ondertussen is begin 2010 een
GRUP (Gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan) goedgekeurd dat het
hele gebied zal inkleuren als natuurgebied en VEN op het
gewestplan.
Het studiegebied van dit onderzoek beperkt zich binnen de
Kalkense Meersen tot Broekmeers, Molenmeers, Scherenmeersen,
Langendonk en Belham (fig. 3.1). In deze gebieden broeden de
meeste weidevogels.
Broekmeers is één van de grootste open graslandcomplexen van
de Kalkense Meersen (100 ha) en tevens één van de intensiefst
bewerkte delen uit het gebied. Aangezien het merendeel van de
percelen in eigendom is van landbouwers met melkkoeien of runderen
worden ze nog sterk bemest. Als gevolg bestaat de vegetatie er
vooral uit grassen en is ze vrij soortenarm. Broekmeers is het
deelgebied met hoofdzakelijk bemeste percelen met
beheersovereenkomsten. (23 ha beheersovereenkomsten in 2009).
Molenmeers, Scherenmeersen, Langendonk en Belham worden verder in
de tekst samen genoemd als de reservaatzone (330 ha). Deze
deelgebieden bevatten immers een groot deel van de percelen die
beheerd worden door Natuurpunt (115 ha). Deze percelen staan
ingekleurd als natuurgebied en VEN en daar geldt een
mestbeperking. In de reservaatzone zijn ook beheersovereenkomst
afgesloten voor weidevogels (35 ha in 2009), maar deze percelen
liggen meer verspreid over het hele gebied in vergelijking met
Broekmeers. De vegetatie bestaat voor het grootste deel uit
vochtige graslanden, zowel soortenarm als soortenrijk (waaronder
goed ontwikkelde dotterbloemgraslanden) maar er komen ook
verruigde hoekjes, riet, open water, knotbomen, aangeplante
populierenbosjes en enkele akkers voor.
De Kalkense Meersen is een deelgebied van het geactualiseerde
Sigmaplan en conform het MWeA zal het volledig ingericht worden
als ‘wetland’. In het MWeA wordt voor de Kalkense meersen een
combinatie van weidevogelgebied (180-200 ha, zilverschoon- en
kamgraslanden) en gevarieerd meersengebied (dotter- en
vossenstaartgraslanden afgewisseld met kleinere oppervlaktes
eutroof water, rietland, grote zeggevegetaties en voedselrijke
ruigten) vooropgesteld als gewenste ontwikkeling. Voor specifieke
habitatdoelstellingen en figuren wordt verwezen naar Van Ryckegem et
al. 2010.
Broekmeers zal de kern van het weidevogelgebied vormen en
krijgt een invulling met zilverschoon- en natte kamgraslanden.
Molenmeers vormt naast Belham één van de twee kerngebieden voor
het ontwikkelen van dottergraslanden. Momenteel zijn daar al goed
ontwikkelde dottergraslanden aanwezig en een gericht beheer moet
deze in staat stellen zich verder te ontwikkelen en uit te
breiden. De visvijvers worden ingericht tot een complex van
eutrofe plassen met goed ontwikkelde oeverzones. In Scherenmeers
zal een moeraszone ontwikkeld worden waarin grote zegge- en
verlandingsvegetaties, rietpartijen en open water elkaar
afwisselen. Langendonk zal de overgangszone van het
weidevogelgebied naar de dottergraslanden van Belham vormen. De
glanshavergraslanden zullen verder ontwikkeld worden waarbij
ruimte is voor kleine landschapselementen zoals knotbomen.
Aansluitend op de ‘vliegerkesweide’ zal de ‘grutto-weide’
ontwikkeld worden tot plas-dras ten behoeve van de weidevogels
(Van Ryckegem et
al. 2010).
3.1.2 Het
Aubroek
Het Aubroek ligt op de linker Schelde-oever en volledig op het
grondgebied van Berlare (fig. 3.2). De afstand tussen de Kalkense
Meersen en het Aubroek bedraagt ongeveer 6 km in vogelvlucht. Het
gebied is ongeveer 110 ha groot en maakt deel uit van de
Scheldebroeken, een laaggelegen cultuurlandschap op alluviale
bodem. De vegetatie bestaat er voornamelijk uit soortenarme
graslanden, enkele akkers en populierenaanplanten.
Landbouwactiviteiten zijn hier nog iets intensiever dan op
Broekmeers omdat er meer melkveehouders actief zijn. Er zijn
slechts enkele reservaatperceeltjes in beheer bij vzw Durme (iets
minder dan 4 ha). Het Aubroek is het gebied met hoofdzakelijk
bemeste percelen zonder beheersovereenkomsten en dient als
referentiegebied van Broekmeers om het bruto territoriaal succes
van grutto’s te vergelijken.

Figuur
3.2. Het Aubroek
3.2 Onderzoeksoorten (gebaseerd op Svensson et al. 1999,
Beintema et al. 1995)
3.2.1 Grutto (Limosa
limosa)
Grutto’s zijn grote, slanke steltlopers die een lengte kunnen
bereiken van 40 tot 44 cm (inclusief hun 7,5 tot 12 cm lange
snavel). Vrouwtjes zijn gemiddeld 5% zwaarder en hebben snavels
die gemiddeld 15% langer zijn dan die van mannetjes. Volwassen
mannetjes zijn in de zomer roestrood op de kop, nek, borst en het
voorste deel van de buik en flanken. De overige delen van de
onderzijde zijn wit. Op de kruin hebben ze overlangse, donkere
streepjes en de delen van de borst en de buik zijn dwars
gebandeerd. De snavel heeft een oranjeroze basis met een zwarte
punt en de poten zijn zwart. De vrouwtjes zijn over het algemeen
iets valer en lichter van kleur maar in alle kleden hebben zowel
mannetjes als vrouwtjes een opvallend vliegbeeld met een brede
witte vleugelstreep en een zwarte eindband op de witte staart. In
de winter hebben grutto’s een bleek grijsbruine bovenzijde en
een witte onderzijde.
In de broedtijd zijn grutto’s zeer luidruchtige vogels en
ware luchtacrobaten. De baltsvlucht bevat ondermeer het kantelen
of wiekelen, waarbij een grutto zijn vleugels met verschillende
frequentie beweegt en zich schoksgewijs van de ene op de andere
zijde gooit. Tijdens het kantelen roepen ze het melodieuze twee-
of driedelige ‘grutto, grutto’. Daarna laten ze zich als een
pijl recht naar beneden vallen om na de landing hun vleugels met
helderwitte onderzijde enkele seconden omhoog te houden. Dit
laatste wijst erop dat het mannetje een territorium heeft.
Grutto’s verkiezen vochtige gebieden en het broedhabitat
omvat hoogveen, natte heide, vochtige hooilanden, extensief
begraasde weilanden, moerassen en gemaaide rietlanden. Als
nestplaats verkiezen de grutto’s plekken met wat langer gras.
Mannetjes maken verschillende nestkuiltjes waarvan het vrouwtje er
dan één uitkiest. De toppen van het gras worden om het nest
gebogen zodat er vaak een soort gat in de vegetatie zit. In dit
nestkuiltje verschijnen vanaf eind maart de eerste legsels die
bestaan uit vier olijfgroene of bruine eieren met onduidelijke
vlekken. De eieren worden ongeveer 24 dagen bebroed. Enkel bij
vroegtijdige verstoring wordt een vervolglegsel gelegd. Na 30 tot
35 dagen zijn de jongen vliegvlug. Eieren en jongen worden heftig
verdedigd en gruttoparen werken dikwijls samen om predators weg te
jagen. Bij verstoring van de jongen laten ze dikwijls hese,
langgerekte alarmroepen horen.
Met hun tere snavel foerageren grutto’s liefst in zachte
bodem. Met het beweegbare topje van hun bovensnavel zijn ze in
staat om prooien uit de grond te grijpen. In het broedseizoen
leven volwassen grutto’s vooral van regenwormen, insecten en hun
larven (emelten). De jongen zijn nestvlieders en eten vooral
insecten die ze in hoog gras vinden. Dit zijn vooral vliegen en
muggen.
Na de broedtijd verzamelen grutto’s zich meestal in grotere
groepen om vanaf juli ons land te verlaten. De meeste vogels
trekken via Spanje, Portugal en Marokko naar de
overwinteringsgebieden in Afrika (kusten en rivieren van Senegal,
Gambia, Mali,...). De eerste grutto’s arriveren terug in België
tegen eind februari.
3.2.2 Kievit (Vanellus
vanellus)
Aangezien de kievit ook geïnventariseerd is wordt hier een
beknopt overzicht gegeven van de kenmerken van deze soort.
Kieviten zijn 28 tot 31 cm lang (2,5 cm lange snavel inclusief).
Ze hebben een opvallende kuif en het verenkleed heeft een
zwart-witpatroon waardoor ze gemakkelijk te herkennen zijn.
Mannetje en vrouwtje lijken sterk op elkaar maar zijn te
onderscheiden aan de kortere kuif, de valer gekleurde bovenzijde
en de spitsere vleugels van het vrouwtje die bovendien meer wit hebben aan de uiteinden. In alle kleden hebben kieviten een
zwarte snavel en vleeskleurig tot rode poten.
Mannetjes hebben een opmerkelijke zangvlucht met diverse
bewegingen. Deze vlucht omvat o.a. een traject waarbij het
mannetje zich steeds na vier à vijf vleugelslagen van de ene op
de andere zijde gooit, waardoor de opvallende wit-zwarte
onderzijde zichtbaar wordt. Tegelijkertijd brengen de handpennen
een ritmisch, zoevend geluid voort.
Kieviten leven in uiteenlopende open gebieden met geen of
weinig en lage vegetatie. Ze broeden in moerassen,
hoogveengebieden, oeverzones, duinweiden, weilanden, hooilanden en
akkers. In de Kalkense Meersen vertaalt dit zich in de wei- en
hooilanden en enkele koppels op akkers. Kieviten prefereren kort
gras om hun nest in te bouwen. Het mannetje krabt in zijn
territorium verschillende nestkuiltjes uit, waarvan het vrouwtje
er één kiest. Daar legt ze vanaf half maart in vijf dagen vier
olijfbruine, groenige, zwartgevlekte eieren. De broedtijd bedraagt
bijna vier weken en nadien zijn de jongen na 35 tot 40 dagen
vliegvlug. Bij verlies van legsels of jongen kunnen
kievitsvrouwtjes tot vier vervolglegsels produceren.
Het voedsel van kieviten bestaat voornamelijk uit op de grond
levende insecten en hun larven, regenwormen, slakjes en een beetje
plantaardig materiaal. De jongen zijn ook nestvlieders, zoals de
gruttojongen, maar ze zijn wat trager en moeten het vooral hebben
van langzamere prooien die zich op de grond bevinden zoals kevers.
Vanaf juni trekken kieviten weg naar het Iberisch schiereiland
of Noord-Afrika om te overwinteren. Bij zachte winters blijft een
deel in ons land.
3.3 Het weer in 2009
Het weer kan op verschillende wijzen een invloed hebben op het
broedsucces van weidevogels: op de legdatum, het uitkomstsucces
van legsels en vooral op de groei en overleving van kuikens.
Daarnaast heeft het weer ook invloed op het verloop van agrarische
werkzaamheden zoals het tijdstip waarop gemaaid wordt. Daarom
wordt hieronder een korte beschrijving gegeven van het weer
tijdens het broedseizoen 2009, aan de hand van de klimatologische
maandoverzichten van het KMI.
Maart 2009 werd gekenmerkt door normale waarden van het
neerslagtotaal, de zonneschijnduur, de gemiddelde windsnelheid en
temperaturen. April was uitzonderlijk warm. De gemiddelde
temperatuur bedroeg 12,5 °C i.p.v. 9 °C normaal. Ook de
zonneschijnduur was voortreffelijk: 297 uur t.o.v. 178 uur
normaal. Het neerslagtotaal was normaal maar er werden wel 10
onweersdagen vastgesteld tegenover 6.6 normaal. Van de 10e tot de 16e
was er elke dag
sprake van onweer. Ook mei werd gekenmerkt door een abnormaal hoge
gemiddelde temperatuur: 14,4 °C tegenover 12,7°C normaal. De
zonneschijnduur lag iets lager dan normaal en de gemiddelde
neerslag was normaal. In juni heersten normale waarden van
temperatuur, neerslag en zonneschijnduur.
Als het klimatologisch overzicht van de lente 2009 (maart
t.e.m. mei) bekeken wordt is duidelijk dat dit een uitzonderlijk
warm seizoen was (tweede plaats in de rij van de warmste lentes
sinds de metingen). De gemiddelde temperatuur bedroeg 11,2 °C
tegenover 9,5 °C normaal. Met 158 l/m2 t.o.v. 196 l/m2 was de lente ook
vrij droog. De waarden van zonneschijnduur waren normaal.
3.4 Broedparen en bruto territoriaal succes
Tijdens het broedseizoen 2009 (half maart – midden juni) werd
in elk deelgebied minstens één maal per week naar broedparen van
kieviten en grutto’s gezocht. Om verstoring zoveel mogelijk te
vermijden werd geopteerd om de volledige inventarisatie uit te
voeren vanaf de bestaande paden en wegen die de gebieden
doorkruisen. Nesten bezoeken verhoogt immers de kans op predatie
doordat geur of zichtbare sporen achterblijven (Teunissen et
al. 2005).
Aangezien het niet evident is om op deze manier nesten visueel te
ontdekken is vooral gelet op het gedrag van de vogels. Kieviten en
grutto’s zijn tijdens het broedseizoen zeer luidruchtige vogels
en aan de manier van lopen, vliegen, landen en alarmeren is
dikwijls op te maken in welk broedstadium ze zich bevinden. Voor
meer details wordt verwezen naar de Ecologische Atlas van de
Nederlandse Weidevogels (Beintema et
al. 1995) en
Instructie Alarmtellingen (Nijland & van Paassen 2007). Nadien
is tijdens de kuikenfase aan de hand van alarmtellingen nagegaan
hoeveel van de oorspronkelijke broedparen van grutto nog
alarmeerden op het einde van het broedseizoen. Zo krijgt men een
schatting van het aantal broedparen dat succesvol één of
meerdere jongen heeft groot gebracht. Dit wordt het bruto
territoriaal succes (BTS) genoemd en het geeft een index voor het
broedsucces. Het levert echter geen volledige meting op van het
broedsucces, omdat hiervoor een aanname nodig is over het aantal
levende kuikens per alarmerend paar en de overleving daarvan
tussen de alarmtelling en de vliegvlugge leeftijd (Nijland 2002).
De gevolgde methode is volledig analoog aan de methode die
beschreven wordt door Nijland & van Paassen (2007), behalve
dat het veld niet doorkruist werd volgens een vaste looproute maar
dat op de paden is gebleven. Om deze reden was het niet altijd
mogelijk een onderscheid te maken tussen koppels met nest en
koppels met jongen. Als dat het geval was werden deze aantallen
geschat. Het BTS wordt berekend door het aantal koppels met jongen
in de fladderweken (week 21: 20-27 mei) te delen door het aantal
territoria en vervolgens deze waarde te vermenigvuldigen met
honderd. Met de fladderweken wordt de periode bedoeld waarin de
meeste kuikens bijna vliegvlug zijn. Voor het aantal territoria
moet het op één na hoogste aantal getelde territoria gebruikt
worden.
Deze methode is echter niet goed toepasbaar op de kievit
aangezien deze zijn kuikens dikwijls alleen laat in de laatste
periode voor het vliegvlug worden en dat het broedseizoen bij deze
soort erg langgerekt is. Voor de kievit is daarom enkel het aantal
broedparen bepaald.
Tijdens de inventarisatie is gebruik gemaakt van een
verrekijker (Kite Petrel) en een telescoop (Swarovski Habicht
AT80). De gegevens werden genoteerd op kleurenorthofoto’s die
gedownload werden van de website www.gisoost.be.
3.5 Aandeel niet gemaaid grasland
Gedurende het broedseizoen 2009 werden de maaidata bijgehouden
voor een deelgebied van Broekmeers en een deelgebied van het
Aubroek. Dit gebeurde tijdens de inventarisaties van de grutto- en
kievitkoppels. Aangezien het merendeel van de percelen gemaaid
werd in de periode tussen twee inventarisaties, is de datum
genoteerd wanneer geconstateerd werd dat bepaalde percelen gemaaid
waren. Er werd geen rekening gehouden met hergroei (percelen waar
na maaien het gras terug hoger staat dan 15 cm) aangezien dit ook
minder geschikt is qua voedselvoorziening en beschutting dan
ongemaaide percelen (Schekkerman 1997). De deelgebieden omvatten
de belangrijkste percelen waarop alle grutto’s en de meeste
andere weidevogels broedden. Het deelgebied in Broekmeers was
52,65 ha groot en dat in het Aubroek 50,27 ha. De oppervlakte van
de individuele percelen werd afgeleid uit het kadasterplan dat
beschikbaar is op www.gisoost.be. Nadien werd voor de
verschillende maaidata berekend hoeveel procent van de oorspronkelijke
oppervlakte grasland nog niet gemaaid was. Dit nog niet gemaaid
grasland wordt ook ‘kuikenland’ genoemd.
3.6 Historisch verloop gruttopopulatie
Om een zo compleet mogelijk historisch verloop van de
gruttopopulatie op te stellen uit de regio van de Kalkense Meersen
is gezocht naar alle mogelijke broedgegevens van grutto’s in die
regio. Er werd zowel gezocht naar het jaarlijks aantal broedparen
als naar de broedlocaties. Een deel van de informatie is afkomstig
van gegevens die andere personen reeds verzameld hadden (waaronder
Peter Claus, Rudi Clinckspoor, Rudi Van Onderbergen en Gunter De
Smet), de rest uit broedvogelinventarisaties, artikels uit lokale
tijdschriften (Swaeneblomme), reconstructies van losse
waarnemingen, mondelinge mededelingen, enzovoort. Met dit lange
termijn overzicht kunnen trends in populatiegrootte en eventuele
veranderingen in de broedlocaties aangetoond worden. Het oorspronkelijke opzet was om hetzelfde te doen voor de
kievit maar dit was niet mogelijk aangezien er niet genoeg
gegevens beschikbaar waren.
3.7 Voedselaanbod onder de vorm van regenwormen
Op 15 en 22 april 2010 werd het voedselaanbod voor volwassen
grutto’s onder de vorm van regenwormen onderzocht in Broekmeers
en Molenmeers. Er werden vijf stalen genomen in Broekmeers en vijf
in Molenmeers. De stalen van Broekmeers werden genomen op percelen
die elk jaar tweemaal bemest worden met drijfmest. De stalen in
Molenmeers werden genomen op Natuurpuntpercelen waarop al minstens
6 jaar een verschralingsbeheer wordt uitgevoerd met nulbemesting.
De percelen werden zo gekozen dat bodem en hydrologie gelijkaardig
waren om andere effecten dan de bemesting uit te sluiten. De
bodemtextuur van alle percelen bestond uit zware klei en de
hydrologie ging van nat op Broekmeers tot zeer nat in Molenmeers.
Methoden voor het verzamelen van regenwormen uit de bodem zijn van
diverse aard, gaande van chemische methoden met formaldehyde,
AITC, mosterdpoeder, detergenten, elektrische methoden (octet),
hittebehandelingen (Kempson) tot het uitgraven en sorteren van de
bodem met de hand (Čoja et
al. 2008).
De methode die toegepast werd in dit onderzoek is een
combinatie van een chemische methode met allyl isothiocyanate
(AITC) en het handmatig uitsorteren van de bodem. Een combinatie
van een chemische methode met het uitsorteren leidt tot de beste
schattingen van de regenwormenpopulatie (Pelosi et
al. 2009). AITC
is een natuurlijk afbraakproduct van glucosinolaten dat dikwijls
gevonden wordt in kruisbloemige groenten en verantwoordelijk is
voor de scherpe smaak ervan. Het komt bijvoorbeeld voor in kool,
mosterd en bieten (Zhang & Thalalay 1994). AITC irriteert de
regenwormen waardoor ze naar de oppervlakte komen. Er werd gekozen
voor AITC omdat deze stof minder schadelijke gevolgen heeft voor
de bodem en niet-doelsoorten dan formaldehyde. AITC breekt snel af
in de bodem, het heeft een halveringstijd van 80 tot 120 uur
(Borek et al.
1995). De methode is gemakkelijk te standaardiseren in
tegenstelling tot de mosterdmethode (Pelosi et
al. 2009) en ze
is bovendien gemakkelijk toepasbaar in het veld.
Alvorens te vertrekken naar de onderzoeksplaats werden in het
labo (Universiteit Gent) tien stockoplossingen gemaakt, één voor
elk proefvlak. Daarvoor werd 2 ml AITC (96%) toegevoegd aan 16 ml
isopropanol (99,9%). Isopropanol werd gebruikt als emulgator omdat
AITC niet oplost in water. Aangezien AITC gevoelig is voor licht werden de
stockoplossingen getransporteerd in donkere potjes. In het veld
werd de stockoplossing toegevoegd aan 20 l water om zo een 1mM
oplossing te bekomen. Deze concentratie wordt als optimaal
beschouwd (Čoja et
al. 2008).
Vervolgens werd een houten kader van 50 x 50 cm op de bodem gelegd
waarbinnen het grootste deel van de vegetatie verwijderd werd
zodat de kale bodem zichtbaar was. De 20 l AITC oplossing werd, na
goed schudden, met een gieter in twee keer op het proefvlak
gegoten. Nadat de eerste 10 l oplossing in de bodem was gedrongen
werden gedurende tien minuten alle wormen verzameld die aan de
oppervlakte kwamen. Vervolgens werd de laatste 10 liter oplossing
op het proefvlak gegoten om opnieuw gedurende tien minuten wormen
te verzamelen. De ingezamelde wormen werden bewaard in ethanol
(99,9%). Van in twee gebroken wormen werd maar één helft
ingezameld. Zeer kleine juveniele wormpjes (nog wit van kleur)
werden niet gecollecteerd. Na deze chemische methode werd met een
spade een stuk bodem uitgegraven van 25 x 25 cm en een diepte van
15 cm. Alle resterende wormen die zich in deze blok grond bevonden
werden verzameld. Als laatste werd een staal van de bodem
meegenomen om in het labo de pH te meten. De hele procedure nam
per proefvlak ongeveer 45 minuten in beslag.
Terug in het labo werden alle wormen geteld en gewogen.
Aangezien de wormen onmiddellijk na het veldwerk gewogen werden
representeert het gewicht de eigenlijke biomassa van de wormen
plus de maaginhoud. Verder in de tekst zal de term biomassa
gebruikt worden voor deze som. De weegschaal (Kern EMB 600-2) was
tot op 0,01 g nauwkeurig en de massa van wormen die minder wogen
dan 0,01 g werd gelijk gesteld aan 0,01 g. De massa van een in
twee gebroken worm werd vermenigvuldigd met factor 2. Nadien
werden alle waarden omgezet naar m². Voor het testen van een
verschil in het totale aantal wormen tussen de bemeste en
onbemeste proefvlakken werd een veralgemeend lineair model
gebruikt. Het verschil in totale biomassa en pH werd geanalyseerd
met een algemeen lineair model. Deze veralgemeende en algemene
lineaire modellen werden uitgevoerd in het statistische programma
SAS ® (versie 9.2). Om de gemiddelde massa van de wormen te
vergelijken werd een permutationele ANOVA uitgevoerd met
bemestingsgraad als fixed factor en proefvlak genest binnen
bemestingsgraad als random factor, gebaseerd op Euclidische
afstanden en 99.999 permutaties van residuelen onder een
gereduceerd model. Deze test werd uitgevoerd in Primer (Anderson et
al. 2008).
3.8 Vegetatiehoogte
Op 30 maart en 3 april 2010 werd respectievelijk in Broekmeers
en Molenmeers de hoogte van de vegetatie opgemeten. Deze data
stemmen overeen met de periode waarin grutto’s hun nestplaats
kiezen en beginnen aan de bouw van een nest. In Broekmeers werden
de metingen uitgevoerd op 30 plaatsen, willekeurig verspreid over
percelen die bemest worden. In Molenmeers werd de vegetatie
opgemeten op 30 willekeurige plaatsen die in beheer zijn bij
Natuurpunt en een verschralingsbeheer kennen. Voor de meting werd
een plastieken mapje (31 x 22,5 cm; 22 g) op de vegetatie gelegd.
De hoogte van de vegetatie werd vervolgens bepaald door de hoogte,
vanaf de bodem gemeten, waarop het plastieken mapje bleef rusten
op de vegetatie. Om het verschil tussen de twee groepen te testen
werd een algemeen lineair model (Welch’s ANOVA) toegepast via
het statistische programma SAS ® (versie 9.2).
3.9 Kruidenrijkdom
Op 27 mei en 16 juni 2009 werd de soortenrijkdom bepaald in
verschillende bemeste en onbemeste percelen. De bemeste percelen
bevonden zich allemaal in broekmeers, de onbemeste percelen
(eigendom van Natuurpunt) bevonden zich op Molenmeers, Langendonk
en Belham. De bemeste percelen in Broekmeers worden bijna allemaal
minstens twee maal per jaar bemest met drijfmest of kunstmest. De
hooilanden die in beheer zijn bij Natuurpunt krijgen een
verschralingsbeheer waarbij één- of tweemaal gemaaid wordt. Er
werden 19 bemeste proefvlakken geïnventariseerd en 14 onbemeste.
Proefvlakken werden willekeurig toegewezen door een kader van 1 x
1 m in het perceel te leggen. Om randeffecten te vermijden werden
de proefvlakken niet te dicht tegen de rand van de percelen
gelegd. Vervolgens werden alle aanwezige plantensoorten in het
proefvlak gedetermineerd. Om het aantal soorten tussen bemeste en
onbemeste proefvlakken te vergelijken werd een veralgemeend
lineair model gebruikt dat uitgevoerd werd in SAS ® (versie 9.2).

Gruttonest met vier olijfgroene, gevlekte eieren. (Peter Claus)
4 Resultaten
4.1 Broedparen en bruto territoriaal succes
4.1.1 Grutto
De eerste grutto’s arriveerden in de Kalkense Meersen
omstreeks 25 februari 2009 (www.waarnemingen.be), maar dit kunnen
ook doortrekkers geweest zijn. In tabel 9.1 (zie bijlage I) is het
aantal broedparen weergegeven die op de aangegeven data werden
waargenomen in de verschillende deelgebieden. De eerste territoria
werden vastgesteld op 9 april 2009. Toen werden er in de
reservaatzone, met uitzondering van Molenmeers, 6 territoria
opgetekend en in Broekmeers 4. Het maximum aantal territoria dat
waargenomen werd bedroeg 14, zowel voor de reservaatzone als voor
Broekmeers. De laatste grutto’s werden gezien op 16 juni. Dit
waren 4 alarmerende koppels in Broekmeers.
Het totaal aantal broedparen in de Kalkense Meersen (in 2009)
wordt op 24 geraamd: op 22 april werden 21 broedparen opgetekend
en er bevonden zich nog 3 broedparen buiten het onderzoeksgebied
van de studie (2 Oude Schelde, 1 Wijmeers). Van deze 21 broedparen
hadden er 14 hun nest in de reservaatzone en 7 in Broekmeers
(situatie voor de verschuiving naar Broekmeers). Dit komt neer op
een dichtheid van 6 broedparen (bp) per km² (100 ha) in de
reservaatzone en 7 bp/km² in Broekmeers. Een kaartje met de
locaties van de nesten is te vinden in bijlage I (fig. 9.1).
Vermeldenswaardig is ook een broedkoppel in de Molenveldkouter
(net buiten de Kalkense Meersen) dat broedde op een
raaigrasperceel, gelegen in een zandig akkergebied.
Een opmerkelijk feit is dat in de week vóór 30 april alle
broedparen van de gruttoweide verdwenen zijn! In Belham werden de
laatste grutto’s gezien op 15 mei, waaronder één jong dat nog
lang niet vliegvlug was. Nadien werden ook geen koppels meer
aangetroffen in de ruime omgeving wat doet vermoeden dat die
koppels weinig of geen jongen zullen grootgebracht hebben. Daar
tegenover staat dat het aantal broedparen in Broekmeers bleef
stijgen tot 1 mei met nog een uitschieter op 15 mei.
Waarschijnlijk zijn een viertal koppels, afkomstig van de
gruttoweide, opnieuw beginnen broeden in Broekmeers. Om die reden
werd de berekening van het bruto territoriaal succes (BTS)
bemoeilijkt, maar er is geprobeerd hiermee rekening te houden.
Voor Broekmeers bedroeg het aantal koppels in de fladderweken
10 en het op één na hoogste getelde aantal territoria 11. Met
deze cijfers bekomen we een BTS van 90,9%. Ik veronderstel echter
dat er op 20 mei nog 4 koppels aanwezig waren met een nest omdat
ze na hun poging op de gruttoweide opnieuw begonnen zijn in
Broekmeers. Als we dit in rekening brengen dan bedraagt het aantal
koppels met jongen in de fladderweken 6. Om ook geen territoria
mee te rekenen van koppels afkomstig uit de reservaatzone moeten
we het op één na hoogste aantal territoria nemen van vóór 30
april. Het aantal territoria bedraagt dan 7. Als we deze waarden
gebruiken bedraagt het BTS 85,7%.
Als we, zoals hierboven vermeld, veronderstellen dat er zich
een viertal koppels uit de reservaatzone opnieuw gevestigd hebben
in Broekmeers rond 30 april, dan kunnen we er zo goed als zeker
vanuit gaan dat het deze 4 koppels zijn die nog alarmeerden op 16
juni. Alle andere koppels zijn dan normaal al vertrokken naar
nattere gebieden omdat de Kalkense meersen dan te droog worden
(pers. med. Peter Claus). 16 juni valt voor deze vier koppels
ongeveer in de fladderweken zodat het BTS van deze koppels 100%
bedraagt. Voegen we dit samen met de oorspronkelijke koppels van
Broekmeers dan komen we aan 11 territoria waarvan er nog 10
alarmeerden in de fladderweken. Dit resulteert opnieuw in de
BTS-waarde van 90,9%.
In de reservaatzone bedraagt het BTS 21,4%. Als aantal
alarmerende koppels met jongen in de fladderweken is 3 genomen
aangezien op 20 mei slechts 3 van de 4 koppels in Molenmeers
jongen had. Het aantal territoria bedroeg 14, dit is het hoogste
aantal getelde territoria. Merk op dat het op één na hoogste
aantal getelde territoria, 8 broedparen op 24 april (zie bijlage
I, tabel 9.1), niet representatief is aangezien er toen niet
geteld werd in Langendonk.
In het Aubroek werden de eerste territoria waargenomen op 28
maart, het laatste koppel werd gezien op 13 juni (zie bijlage I,
tabel 9.2). Het aantal broedparen wordt geschat op 5. Dit betekent
een dichtheid van 5 bp/km². Met twee koppels op 23 mei en 4
territoria bedraagt het BTS 50%.
4.1.2 Kievit
Op 9 en 10 april 2009 werden 30 koppels kievit geteld in de
reservaatzone en 18 koppels in Broekmeers. Dit zijn echter enkel
de koppels die in grasland broedden. Er broedden ook enkele
koppels op de weinige akkers in het gebied waardoor we kunnen
spreken van minstens 55 broedkoppels kievit in het studiegebied.
Dit levert een dichtheid van 13 bp/km² op. Net zoals alle
gruttokoppels, verdwenen ook alle aanwezige kievitparen van de
gruttoweide in de week vóór 30 april.
In het Aubroek werden maximaal 18 broedende koppels kievit
waargenomen waarvan minstens een vijftal op akkers. De dichtheid
bedraagt 16 bp/km².
4.2 Aandeel niet gemaaid grasland
Figuur 4.1 geeft een verloop weer van het aandeel niet gemaaid
grasland in Broekmeers en het Aubroek. De data weerspiegelen niet
altijd de exacte datum van de maaiwerkzaamheden aangezien sommige
percelen een paar dagen voor de inventarisatie gemaaid werden. De
data tonen dus eerder op welke dag geconstateerd werd dat bepaalde
percelen gemaaid waren.
Figuur
4.1. Verloop van het aandeel niet gemaaid grasland voor een
deelgebied in Broekmeers (geel) en het Aubroek (rood).
In het Aubroek werden de eerste percelen gemaaid in de week
van 25 april 2009. Toen werd ongeveer 14% van het grasland
gemaaid. Tijdens de twee weken die volgden werd het merendeel
van de andere percelen ook gemaaid waardoor op 9 mei slechts
12,7% niet gemaaid grasland overbleef. Tussen 20 mei en 1 juni
werd nog 4% gemaaid en na 16 juni was alles gemaaid.
In Broekmeers werd pas voor het eerst gemaaid in de week van
9 mei. Er werd toen ongeveer 10% van de oppervlakte gemaaid.
Tussen 9 en 20 mei werd nog een deel gemaaid met als resultaat
nog 61,6% niet gemaaid grasland. In de week van 27 mei werd
13,6% gemaaid en in de periode daaropvolgend nog eens 26,4%
waardoor op 1 juni nog 21,5% niet gemaaid grasland overbleef. Op
16 juni werden alle resterende percelen gemaaid.
4.3 Historisch verloop gruttopopulatie
4.3.1 Aantal
De oudste indicaties over het voorkomen van grutto’s in de
Kalkense Meersen zijn afkomstig uit het boek ‘Het kasteel en
de meersen’ (van Damme & Lostrie 1987). Hierin wordt
vermeld dat grutto’s vroeger zo abundant waren dat hun eieren
verzameld en verkocht werden voor de tafels der rijken. De
eerste bekende broedgegevens dateren uit 1967. Toen werden twee
broedgevallen vastgesteld in Wijmeers. In de daaropvolgende
jaren werden telkens 2 à 3 koppels waargenomen met een maximum
van 4 in 1975 (fig. 4.2). In de periode 1982 - 1984 waren elk
jaar 4 broedende koppels aanwezig. Concrete gegevens van de
jaren 1970, 1971, 1977, 1978 en 1986 ontbreken. 1987 liet 6
broedparen optekenen en vanaf dan steeg de gruttopopulatie
gestaag tot een maximum van 30 broedparen in 2002. Twee knikken
in de stijgende lijn zijn te vinden in 1993 en 1997 met
respectievelijk 13 en 18 broedparen. De laatste jaren (2003 tot
2008) stagneert de populatie rond 25 koppels. In 2009 werden 24
koppels geteld.

Figuur.
4.2. Aantal broedparen in de Kalkense Meersen (1967 – 2009).
Jaren waarvoor geen balk aanwezig is wijzen op ontbrekende
gegevens.
Ondanks de stagnatie in de Kalkense Meersen zelf, is er de
laatste tijd een uitbreiding van de gruttopopulatie te merken
naar gebieden in de buurt (hierna: ‘randgebieden’) zoals de
Scheldebroeken in Berlare (Aubroek, Paardenweide) en de weiden
rond het station van Schellebelle. In het Aubroek werden vanaf
2001 2 broedende koppels waargenomen en dit aantal steeg de
laatste jaren tot 5 koppels (pers. med. R. van Onderbergen). Ook
op de Paardenweide werd het eerste koppel waargenomen in 2001.
In 2005 liep dit aantal op tot 5 koppels maar in 2009 trof men
echter maar 3 koppels meer aan (pers. med. D. De Mesel). In Schellebelle
kwamen sinds 1998 maximaal 4 koppels tot broeden. De laatste
jaren is dit aantal teruggelopen tot 2 koppels (pers. med. P.
Claus). De broedgegevens van de randgebieden worden weergegeven
in tabel 9.3 (zie bijlage II).
Als men het verloop van het totale aantal koppels uit deze
randgebieden bekijkt, is zelfs een stijging waar te nemen tot en
met 2005 (fig. 4.3). In 2005 kwamen bijna dubbel zoveel koppels
tot broeden dan in 2002. De knik in 2004 is te wijten aan
ontbrekende gegevens van de Paardenweide in 2004. Daarom is het
aantal koppels van de Paardenweide als 0 genomen terwijl dit
waarschijnlijk niet het geval was.

Figuur
4.3. Totaal aantal broedparen in de randgebieden (2001 –
2009).
4.3.2 Locatie
Informatie over de locatie van broedgevallen was minder
voorhanden dan de informatie over het aantal broedparen. Figuur
4.4 geeft over verschillende jaren weer hoeveel koppels van de
totale populatie in de betreffende deelgebieden broedden. De
eerste beschikbare gegevens dateren uit 1967. Toen werden 2
broedgevallen vastgesteld in Wijmeers en tot en met 1975 was er
ook enkel sprake van broedgevallen in Wijmeers. In het jaar 1979
kwam daar 1 koppel op Langendonk bij. In 1982 werden 4 koppels
waargenomen, 1 op Langendonk, 2 op Molenmeers en 1 op
Broekmeers. Sinds 1982 werden tevens geen koppels meer
waargenomen in Wijmeers tot recent in 2008 en 2009. Tussen 1985
en 1988 begon de populatie te groeien maar de nieuwe koppels
bleven zich enkel vestigen op Langendonk, Molenmeers en
Broekmeers. In 1989 werd Scherenmeersen op slag het
belangrijkste deelgebied met vijf koppels. Op Langendonk broedde
daarentegen geen enkel koppel meer. In de periode 1990 - 1995
kwam Belham erbij en steeg het aantal koppels per deelgebied
gelijkmatig waardoor de grutto’s in 1996 met ongeveer evenveel
koppels (± 4) vertegenwoordigd waren in elk deelgebied. Na de
dip van 1997 begon er een koppel te broeden aan de Oude Schelde
en schoot het aantal koppels in Molenmeers spectaculair de
hoogte in (10 koppels in 2000). Tijdens de jaren nadien (2000
– 2008) daalde dit aantal echter even spectaculair als het
gestegen was en Scherenmeersen verloor zijn aandeel volledig.
Broekmeers, Langendonk en Belham gingen daarentegen wel vooruit.

Figuur 4.4. Totaal aantal
broedparen in de Kalkense Meersen, opgesplitst per deelgebied
(1967-2009).
In figuur 4.5 wordt het aantal
koppels van Molenmeers vergeleken met het aantal koppels in
Broekmeers. Figuur 4.6 geeft hetzelfde weer maar voor Langendonk
+ Belham en Scherenmeersen. In 2009 broedden 2 koppels aan de
Oude Schelde, 7 koppels in Broekmeers, 3 koppels in Molenmeers,
6 koppels in Langendonk, 5 in Belham en 1 in Wijmeers. De
kerngebieden waren dus duidelijk Broekmeers, Langendonk en
Belham. Uiteindelijk hebben er op Broekmeers 11 koppels gebroed
nadat 4 koppels na hun eerste poging in Langendonk een nieuw
nest begonnen zijn in Broekmeers.

Figuur 4.5. Aantal
broedparen in Broekmeers (geel) en Molenmeers (groen) (1980–2009).

Figuur 4.6. Aantal
broedparen in Belham + Langendonk (groen) en Scherenmeersen
(blauw) (1980-2009).
4.4 Voedselaanbod onder de vorm van regenwormen
In totaal werden 520 wormen verzameld over alle proefvlakken.
Het totaal aantal regenwormen was duidelijk hoger in bemeste
proefvlakken (488 m-2 ± 68,22 m-2;
gemiddelde ± standaardfout) dan in proefvlakken van niet
bemeste percelen (167,2 m-2 ± 27,43 m-2).
De aantallen lagen zelfs meer dan dubbel zo hoog (fig. 4.7). Dit
verschil was significant (F1,8 = 16,95 ; p =
0,0034).

Figuur 4.7. Totaal aantal
regenwormen (m-2) in
bemeste en niet bemeste proefvlakken (gemiddelde ±
standaardfout).

Figuur 4.8. Totale biomassa
aan regenwormen (g/m²) in bemeste en niet bemeste proefvlakken
(gemiddelde ± standaardfout).
De totale biomassa aan regenwormen was significant hoger in
bemeste proefvlakken (F1,8 =
11,9 ; p = 0,0087) en bedroeg daar gemiddeld 159,4 g m-2 (± 35,49 g m-2)
tegenover 35,7 g m-2 (±
4,64 g m-2) in niet
bemeste proefvlakken (fig. 4.8).
Regenwormen uit bemeste proefvlakken wogen gemiddeld iets
meer (0,33 g ± 0,02 g) dan regenwormen uit niet bemeste
proefvlakken (0,22 g ± 0,02 g). Dit verschil was niet
significant (pseudo-F1;9,68 =
3,21 ; p = 0,13).
De gemiddelde pH was significant lager (F1,8
= 30,55 ; p = 0,0006) in bemeste
proefvlakken (6,61 ± 0,07) dan in niet bemeste proefvlakken
(7,24 ± 0,09).
4.5 Vegetatiehoogte

Figuur 4.9. Hoogte (cm) van
de vegetatie op bemeste en niet bemeste percelen (gemiddelde ±
standaardfout).
De vegetatie was op het moment
van de metingen hoger op de bemeste percelen van Broekmeers dan
op de onbemeste percelen van Molenmeers. Het verschil tussen de
twee groepen was significant (F1;46,5 =
4,95 ; p = 0,031). De gemiddelde hoogte (± standaardfout) van
de vegetatie bedroeg in Broekmeers 7,26 cm (± 0,41 cm) en in
Molenmeers 6,21 cm (± 0,24 cm) (fig. 4.9).
4.6 Kruidenrijkdom

Figuur 4.10. Aantal soorten
planten aanwezig in bemeste en onbemeste proefvlakken
(gemiddelde ± standaardfout).
In bemeste proefvlakken waren
duidelijk minder soorten aanwezig dan in onbemeste proefvlakken
(F1,31 = 114,40 ; p
< 0,0001). Bemeste proefvlakken bevatten gemiddeld (±
standaardfout) 6,63 soorten m-2 (±
0,34 m-2) terwijl in
onbemeste proefvlakken bijna dubbel zoveel soorten teruggevonden
worden (12,36 m-2 ±
0,37 m-2) (fig.
4.10). De vegetatie in de bemeste proefvlakken wordt vooral
gedomineerd door forse grassen. Gestreepte witbol (Holcus
lanatus), italiaans raaigras (Lolium
multiflorum) en grote vossenstaart (Alopecurus
pratensis) worden bijna overal
teruggevonden. In onbemeste proefvlakken is de vegetatie veel
kruidenrijker. Hier vindt men dikwijls pinksterbloem (Cardamine
pratensis), kruipende boterbloem (Ranunculus
repens) en echte koekoeksbloem (Silene
flos-cuculi). In tegenstelling tot de
dichte grasvegetatie op bemeste percelen is er in de meer open
vegetatie van onbemeste percelen ook plaats voor enkele
zeldzaamheden zoals trosdravik (Bromus
racemosus) en kleine ratelaar (Rhinanthus
minor) (zie tabel 9.4 in bijlage III
voor een lijst met de gedetermineerde soorten).

In
de eerste tien dagen na het uitkomen worden gruttojongen nog
regelmatig bebroed.
5 Discussie en Conclusies
5.1 Broedparen en bruto territoriaal succes
5.1.1 Grutto
In de Kalkense meersen kwamen dit jaar 24 koppels grutto tot
broeden. Dat is één koppel minder dan in de vorige jaren (zie
4.3.1), de populatie blijft dus stabiel. Op het eerste zicht is
er nog geen positief effect van het weidevogelproject waar te
nemen op de populatiegrootte. Dit is vrij logisch aangezien het
weidevogelproject recent werd opgestart in het voorjaar van
2008. Bij een langlevende soort met een beperkte jaarlijkse
reproductiecapaciteit zoals de grutto, reageren de aantallen
vertraagd op een verbetering van de omstandigheden. Het
merendeel van de juveniele grutto’s blijft bovendien tijdens
hun tweede kalenderjaar in Afrika en keert pas terug naar hun
geboorteplaats als ze twee jaar worden (Groen 1993, Kuijper et
al. 2006).
Daarenboven moet ook rekening gehouden worden met emigratie,
immigratie en de mortaliteit tijdens de trek en in de
overwinteringsgebieden. Het is dus onwaarschijnlijk dat op één
jaar positieve effecten zichtbaar zijn in het aantalsverloop.
Aanwas van jonge vogels die geboren werden in 2008 is pas te
verwachten vanaf 2010.
Evaluaties op basis van aantallen zijn dus moeilijk te
interpreteren: als het weidevogelproject niet zou leiden tot
hogere aantallen wil dit niet noodzakelijk zeggen dat het beheer
ineffectief is. De extra geproduceerde kuikens kunnen zich
vestigen in andere gebieden. Het omgekeerde is ook mogelijk: dat
het project meer vogels naar het gebied lokt, die vervolgens
geen broedsucces behalen. Het is zinvoller te kijken of het
weidevogelproject iets oplevert voor het broedsucces van de
koppels. Hoewel het uiteindelijke doel van het weidevogelproject
is om de aantallen te vergroten, is de praktische invulling
ervan gebaseerd op het verhogen van het broedsucces. Het
broedsucces (of een relatieve maat ervan, zoals het BTS) sluit
dus aan bij het veronderstelde mechanisme van de maatregelen en
zo kan meer inzicht verkregen worden in de werking van het
mechanisme zelf (Schekkerman et
al. 2005).
Eerst en vooral moet er op gewezen worden dat de
nauwkeurigheid van de schattingen van het BTS beïnvloed kan
zijn aangezien de inventarisatie vanaf de paden is gebeurd in
plaats van een traject te volgen door de percelen. Er is
geprobeerd om dit deels te compenseren via een intensievere
inventarisatie dan degene die voorgeschreven wordt in de
handleiding van Nijland & van Paassen (2007). Ten tweede is
deze handleiding ontwikkeld voor grote weidevogelgebieden in
Nederland waar grote aantallen broedkoppels aanwezig zijn.
Hierdoor is ze minder bruikbaar bij een klein aantal
broedkoppels (pers. med. A. van Paassen). Omwille van
bovenstaande redenen moet zeer voorzichtig omgesprongen worden
met de interpretatie van de BTS-waarden. Bij het begin van het
onderzoek was ik me bewust van deze beperkingen, maar het is de
enige manier om op een relatief eenvoudige en goedkope wijze een
indicatie te krijgen van het broedsucces van grutto’s.
Absoluut kwantificeren van het broedsucces is bij de grutto
vrijwel enkel mogelijk door het volgen van individueel
herkenbare vogels, toch zeker in de kuikenfase (Schekkerman et
al. 2005).
Dit kan met behulp van zenders of kleurmerken maar is echter
zeer duur en tijdrovend. Een voordeel is wel dat via deze
methodes, en in combinatie met de Mayfieldmethode (Mayfield
1975), uitspraken kunnen gedaan worden over de overleving van
eieren en jongen apart. Veelal is deze informatie wenselijk
aangezien de condities nodig voor de overleving van eieren
verschillen met deze voor de kuikenoverleving. Zo kan het beheer
hier optimaal op afgestemd worden. Het nadeel van de
Mayfieldmethode is wel dat nesten meermaals per week bezocht
moeten worden om dagelijkse overlevingskansen van eieren en
jongen te kunnen berekenen. Teunissen et
al. (2005)
vonden dat elk nestbezoek de uitkomstkans gemiddeld met 10%
verlaagd. Het werkelijke broedsucces zal op die manier dus
ietwat onderschat worden.
In Broekmeers bedroeg het BTS 90,9%, wat wil zeggen dat negen
op de tien broedkoppels succesvol één of meerdere jongen
hebben voortgebracht. Zo’n hoge waarde is ongezien in
Nederland (pers. med. A. van Paassen). Maar het is zeker ook een
feit dat de meeste graslanden in Nederland veel intensiever
bewerkt worden dan de relatief extensieve graslanden in
Broekmeers, te meer door de toepassing van het
weidevogelproject. De BTS-waarde van de reservaatzone lag met
21,4% bedroevend laag ondanks het extensieve beheer.
Afgezien van de eventuele onnauwkeurigheid van de BTS-waarden
zijn ze toch indicatief voor een duidelijk verschil tussen
Broekmeers en de reservaatzone. Verschillende factoren kunnen
hierin een rol spelen. Een laag BTS wordt hoofdzakelijk
veroorzaakt doordat eieren en/of jongen niet overleven. De
voornaamste oorzaken die leiden tot mortaliteit onder
grutto-eieren en -jongen zijn landbouwbewerkingen, predatie en
slecht weer (Beintema et
al. 1995).
Aangezien alle kerngebieden van de grutto’s in de
reservaatzone onder het weidevogelbeheer of Natuurpuntbeheer
vallen (uitgezonderd Belham), werden daar geen
landbouwbewerkingen uitgevoerd voor 15 juni. Het weer was
bovendien zeer goed in het voorjaar van 2009 (zie 3.3), wat doet
vermoeden dat het lage BTS in de reservaatzone veroorzaakt werd
door predatie en/of verstoring.
De koppels van de gruttoweide verlieten hun nestplaats vóór
eind april en de koppels van Belham rond begin mei. Als predatie
hiervoor verantwoordelijk was, betrof het vooral predatie van de
eieren aangezien de uitkomstdatum van gruttolegsels in de
Kalkense Meersen meestal rond 1 tot 5 mei ligt (pers. med. P.
Claus). In de ecosysteemvisie Kalkense Meersen wordt gewag
gemaakt van het voorkomen van verschillende marterachtigen zoals
hermelijn (Mustela
erminea),
wezel (Mustela
nivalis),
bunzing (Mustela
putorius) en
steenmarter (Martes
foina)
(Degezelle et
al. 2004),
maar ook de vos (Vulpes
vulpes) komt
er voor. Al deze soorten zijn mogelijke predators van eieren.
Ondanks de vaststelling dat zwarte kraaien op grote schaal
waarschijnlijk niet de belangrijke predators zijn (Teunissen et
al. 2005) zou
ik hier wel het belang van kraaien in de predatie/verstoring
willen benadrukken. Tijdens het broedseizoen 2009 waren immers
steeds een 70-tal zwarte kraaien aanwezig in en rond de
gruttoweide. Op de weidepaaltjes die de gruttoweide afbakenen
worden wel meer zwarte kraaien gezien maar in 2009 was de groep
opvallend groter dan in andere jaren (pers. med. P. Claus). Dat
er vlak naast de gruttoweide twee maal per dag gevoederd werd
door een lokale burger heeft hier hoogstwaarschijnlijk veel mee
te maken. Het voederen had als gevolg dat de kraaien daar steeds
aanwezig bleven en dat bovendien meeuwen, die ook als predator
bestempeld worden, hierop afkwamen. Bijgevolg werden de grutto’s
constant verstoord en werden ze gedwongen voortdurend te
alarmeren. Andere vormen van verstoring kunnen afkomstig zijn
van de Blokstraat en de Belhamstraat die respectievelijk vlak
naast de gruttoweide en het kerngebied op Belham liggen. Op deze
wegen passeert nog redelijk veel verkeer van auto’s, maar ook
van fietsers en voetgangers. Grutto’s en andere weidevogels
zijn storingsgevoelig en volgens Oosterveld & Altenburg
(2005) bedraagt de storingsafstand van een tertiaire weg en
zelfs van een fietspad ongeveer 100 meter. Het spreekt voor zich
dat de grutto’s hier enige hinder van ondervinden.
In het Aubroek, dat nog intensief bewerkt wordt, wordt het
aantal broedparen geschat op vijf, waarmee de kleine populatie
daar ook al enkele jaren constant blijft. Het BTS bedraagt 50%.
Deze waarde is echter onbetrouwbaar en weinigzeggend over het
echte broedsucces omdat de steekproef uit zeer weinig koppels
bestaat. Door het op één na hoogste aantal territoria te nemen
(hier 4 i.p.v. 5 aanwezige territoria) bekomt men direct een
hoger BTS dan in werkelijkheid het geval is. De echte BTS-waarde
ligt dus vermoedelijk rond 40% of lager. De oorzaak voor dit
lage BTS moet in het Aubroek vooral gezocht worden in verliezen
door landbouwactiviteiten en predatie. Het grootste deel van het
gebied werd reeds zeer vroeg gemaaid (zie 4.2), waardoor
vermoedelijk nesten of jongen verloren gegaan zijn. In het
Aubroek zijn slechts enkele kleine perceeltjes in beheer bij Vzw
Durme en toch broedden hier twee koppels op. Deze percelen worden niet
gemaaid voor 15 juni waardoor de nesten gespaard werden. Ondanks
hun beperkte omvang en totale oppervlakte zijn ze dus wel
degelijk van belang. Een verdere uitbreiding van
reservaatpercelen of een inrichting van een weidevogelproject is
dus wenselijk.
Vlak naast deze percelen vond ik op 16 mei echter twee
gepredeerde grutto-eieren op de weg. Dit wijst erop dat predatie
ook een factor is die daar meespeelt, ondanks de openheid van
het gebied. In mei en begin juni zijn de beheerde percelen in
feite smalle stroken in een zee van gemaaid gras en het is
bekend dat grutto’s meer kans hebben om gepredeerd te worden
in dergelijke smalle stroken ongemaaid gras (Teunissen et al.
2005). In één van de eieren was nog een zeer klein embryo
aanwezig wat er op wijst dat dit afkomstig was van een zeer laat
of vervolglegsel. Op 30 mei vond ik nog een nest met slechts
één ei op een reeds gemaaid perceel, wat dus ook een
vervolglegsel was. Aangezien er vervolglegsels werden gelegd kan
er vanuit gegaan worden dat de vorige nesten verloren gingen
door predatie of uitmaaien. Vervolglegsels zijn echter van
mindere kwaliteit en hebben een hogere kans om gepredeerd te
worden omdat predatie toeneemt naarmate het einde van het
broedseizoen nadert (Teunissen et
al. 2005).
Het is dus zeer belangrijk dat weidevogels zo ongestoord
mogelijk hun eerste legsel kunnen uitbroeden om een optimaal
broedsucces te behalen.
Om een populatie in stand te houden moeten grutto’s elk
jaar gemiddeld 0,5 - 0,8 (waarschijnlijk 0,6 - 0,7) jongen
grootbrengen (Schekkerman & Müskens 2000). In termen van
BTS betekent dit dat vanaf een percentage van 65% aangenomen
wordt dat er voldoende jongen zijn uitgevlogen om sterfte te
compenseren (Nijland et
al. in
voorbereiding.). Op basis van de gegevens kunnen we besluiten
dat deze norm enkel gehaald wordt in Broekmeers. Dit is een
eerste indicatie dat het weidevogelproject mogelijk een
positieve bijdrage levert voor de grutto’s in Broekmeers.
Waren alle percelen vroeger gemaaid geweest, dan zouden wellicht
minder nesten en kuikens overleefd hebben waardoor niet zo’n
hoog BTS zou gemeten worden. In de reservaatzone werd het
positief effect van het project en het natuurbeheer teniet
gedaan door predatie en verstoring. Dit is echter geen reden tot
paniek. Grutto’s zijn erop ingesteld dat hun broedsucces van
jaar tot jaar varieert: mislukte jaren vormen geen probleem als
er maar goede tegenover staan. In het Aubroek boden de kleine
perceeltjes in beheer ook bescherming aan de grutto’s. Mochten
deze perceeltjes er niet geweest zijn dan waren de resterende
twee koppels ook uitgemaaid en had het BTS wellicht nog lager
gelegen.
De gruttodichtheden in de Kalkense Meersen en het Aubroek
liggen nog zeer laag in vergelijking met Nederlandse gebieden.
In agrarisch grasland op Friese klei- en veengronden bedraagt de
gemiddelde dichtheid 12 bp/km². In de reservaatgebieden wordt
zelfs een gemiddelde dichtheid van 43 bp/km² waargenomen
(Schekkerman et
al. 2005).
Mits een optimaal beheer is er dus nog heel wat potentieel om de
gruttopopulatie uit te breiden.
5.1.2 Kievit
Het totaal aantal kievitkoppels in de reservaatzone en
Broekmeers wordt op 55 geschat. Aangezien het studiegebied vrij
groot is en omdat enkel vanaf de paden werd geïnventariseerd is
dit mogelijk een onderschatting. Voor het vroegtijdig verlaten
van de gruttoweide kunnen dezelfde oorzaken verantwoordelijk
gesteld worden als bij de grutto’s. In het kerngebied op
Belham deden de kieviten het beter en waren ze langer aanwezig
dan de grutto’s. Er werden ook enkele vliegvlugge jongen
gezien. Kieviten broeden in de Kalkensen Meersen ook op akkers
en dit zorgt meestal voor nog meer problemen omdat op akkers
geen bescherming wordt toegepast. Tijdens het voorjaar wordt een
maïsakker minstens drie keer bewerkt (ploegen, rollen,
inzaaien) waardoor kieviten telkens hun legsel verliezen en
opnieuw moeten beginnen.
Ook in het Aubroek stelde dit probleem zich. Hier broedden
minstens achttien koppels kievit waarvan zeker vijf op een
akker. Met kieviten die daar in grasland broedden was het echter
niet veel beter gesteld. Aangezien de meeste hooilanden in het
Aubroek twee tot driemaal gemaaid worden tijdens het
broedseizoen, al dan niet gevolgd door mestinjectie, moeten ze
telkens vervolglegsels produceren. Gelukkig hebben kieviten een
hoge capaciteit om meerdere legsels te leggen (Beintema et
al. 1995). Toch is het opvolgen van
het broedsucces van kieviten nodig om na te gaan of ze op deze
manier wel nog genoeg jongen produceren om de populatie in stand
te houden. Moest blijken dat de oudervogels elk jaar terugkomen
en vervolglegsels produceren maar dat er niet voldoende jongen
vliegvlug worden dan zou de populatie wel eens kunnen instorten
op korte termijn.
5.2 Aandeel niet gemaaid grasland
Uit figuur 4.1 komt duidelijk naar voor dat in Broekmeers een
groter aandeel niet gemaaid grasland aanwezig was tijdens de
belangrijkste kuikenperiode (begin mei – half juni) in
vergelijking met het Aubroek. In Broekmeers was gedurende de
maand mei steeds minstens 40% (en max. 77%) meer ongemaaid
grasland aanwezig dan in het Aubroek. Dit is hoofdzakelijk te
danken aan de uitgestelde maaidata op de percelen die onder de
beheersovereenkomsten van het weidevogelproject vallen. Een
belangrijke opmerking hierbij is dat de grootte van dit verschil
ook afhangt van het weer. Door het warme weer in het voorjaar
van 2009 werd zeer snel gemaaid in het Aubroek. Bij slecht weer
zullen percelen zonder beheersovereenkomsten ook later gemaaid
worden en zal het verschil tussen ‘weidevogelpercelen’ en
gangbare landbouwpercelen kleiner zijn, vooral in het begin van
de kuikenperiode. Bovendien zal het verschil tussen de gebieden
ook afhangen van het aantal ha dat onder weidevogelbeheer valt.
Bij uitbreiding van het weidevogelproject (wat het geval is in
2010) zal het verschil ook groter zijn en zal dit grotere
verschil ook langer behouden blijven. De meerwaarde die een
weidevogelproject biedt in vergelijking met gangbaar
landbouwgebruik zal dus in grote mate afhangen van de omvang van
het project en het weer.
In Broekmeers vonden de eerste maaibeurten twee weken later
plaats dan in het Aubroek. Dit is positief voor de weidevogels,
maar niet direct een gevolg van het weidevogelproject. Deze
latere maaidata zijn eerder te wijten aan een tragere grasgroei
in Broekmeers of hoogstwaarschijnlijk aan het feit dat in het
Aubroek meer melkveehouders aanwezig zijn die nood hebben aan
kuilgras. Kuilgras wordt namelijk vrij vroeg gemaaid.
In het Aubroek was bij het begin van de kuikenperiode slechts
12,7% van de oppervlakte grasland nog niet gemaaid t.o.v. 89,8%
in Broekmeers. Deze 12,7% (6,4 ha) stelt niet veel meer voor en
bestaat hoofdzakelijk uit de reservaatperceeltjes van vzw Durme.
Als gevolg zijn de meeste nesten of kuikens die niet op een
reservaatperceel broedden allicht verloren gegaan. Zelfs al
overleefden enkele gruttokuikens, dan kwamen deze in een zee van
ongeschikt habitat terecht. In gemaaid gras vinden gruttojongen
niet veel voedsel en lopen ze een twee tot driemaal grotere kans
om gepredeerd te worden (Schekkerman et
al. 2005). Bovendien ontstaan serieuze
afstanden tussen de resterende ongemaaide percelen. De vraag is
of net uitgekomen gruttojongen überhaupt in staat zijn deze
afstanden te overbruggen. Gruttogezinnen die door gebrek aan
voldoende ongemaaid grasland gedwongen worden op gemaaide
percelen te foerageren of er doorheen te trekken lopen dus een
groter risico kuikens te verliezen. Daarenboven werden in het
Aubroek verschillende percelen twee tot driemaal gemaaid wat wil
zeggen dat vervolglegsels op die percelen ook al niet veel kans
maakten.
Maaidata spelen dus een grote rol in het al dan niet behalen
van voldoende broedsucces. Enerzijds heeft maaien een
rechtstreekse invloed op de overleving van nesten en kuikens.
Anderzijds heeft het een invloed op het voedselaanbod en foerageersucces van de
gruttokuikens. Omdat gruttokuikens gemiddeld maar 26% van hun
energie-inkomsten daadwerkelijk aan groei spenderen en
nauwelijks langer kunnen foerageren dan de 11-14 uur per dag die
ze er gemiddeld (in Nederlandse reservaten) al aan besteden, zal
een afname in foerageersucces negatieve gevolgen hebben voor hun
groeisnelheid en overleving (Schekkerman 2008). Uitstellen van
de eerste snede is dus een belangrijke maatregel om de
opgroeiomstandigheden voor gruttokuikens en de overleving van
weidevogellegsels te verbeteren. Na midden juni heeft dit op
bemeste percelen echter niet veel zin meer omdat de vegetatie
dan te dicht wordt en het insectenaanbod afneemt (Schekkerman
2008). Maaien na 15 juni kan wel voordelig zijn voor laat
broedende soorten zoals watersnip (Gallinago
gallinago), zomertaling (Anas
querquedula) en kwartelkoning (Crex
crex) en soorten met tweede legsels
(Oosterveld & Altenburg 2005).
Voor kievitkuikens is het negatieve effect op de
voedselvoorziening minder van tel. Integendeel, vanaf midden mei
worden ongemaaide percelen al onaantrekkelijk voor kievitkuikens
door de hoge en dichte vegetatie. Kievitkuikens hebben namelijk
een sterke voorkeur voor een korte vegetatie aangezien zij meer
foerageren op insecten die op de bodem leven zoals kevers
(Schekkerman 1997). De vochtigheidsgraad blijkt eveneens van
belang. Op vochtige percelen worden meer potentiële prooidieren
voor kievitkuikens gevonden dan op droge. Na maaien droogt het
bodemoppervlak echter sneller uit waardoor het positieve effect
voor kievitkuikens vermoedelijk van korte duur is (Schekkerman
1997). Kieviten zijn bijgevolg meer gebaat bij vochtige percelen
met een (beperkt) aanbod van gemaaide percelen in de
kuikenperiode tenzij er open plekken aanwezig zijn of een
vegetatie voorkomt die van nature niet zo hoog en dicht is. In
het noordelijk deel van Broekmeers is zo’n vochtig deel met
een kortere vegetatie aanwezig wat het gebied aantrekkelijk
maakt voor kieviten. Opvallend is dat het merendeel van de
kievitkoppels ook daadwerkelijk op die plaats broeden. Hoewel
kievitkuikens zich thuis voelen op gemaaide percelen is het toch
belangrijk schuilmogelijkheden te voorzien zoals greppels of
gemaaide perceelsranden.
Als besluit kan gesteld worden dat het weidevogelproject in
2009 effectief voor een hoger aandeel niet gemaaid grasland
heeft gezorgd t.o.v. gangbaar landbouwgebied (het Aubroek).
Toepassing van het weidevogelproject in zijn huidige vorm
resulteert door de uitgestelde landbouwwerkzaamheden niet enkel
in een reductie van nestverliezen maar ook in een hoger aandeel
niet gemaaid grasland tijdens de belangrijkste kuikenperiode.
Dit hoger aandeel ongemaaid grasland is één van de
belangrijkste factoren die kan bijdragen tot een hoger
broedsucces van gruttokoppels aangezien de overleving van jongen
positief gecorreleerd is met het aandeel ongemaaid grasland
(Schekkerman et
al. 2005). Deze correlatie betekent
echter ook dat maatregelen die specifiek op legseloverleving
gericht zijn, zoals nestbescherming, in principe geen garantie
bieden voor een voldoende broedsucces. Dit betekent niet dat
nestgerichte maatregelen zinloos zijn, maar wel dat het
rendement ervan aanzienlijk verhoogd kan worden door deze
maatregelen te combineren met percelen met een latere maaidatum
(Schekkerman 1997).
5.3 Het weer in 2009
Zoals eerder aangehaald (3.3) kan het weer op verschillende
wijzen een invloed uitoefenen op het broedsucces van
weidevogels. Ten eerste heeft het weer bij het begin van het
broedseizoen een invloed op de legdatum. Als de start van het
broedseizoen relatief warm is zal de legdatum vroeger liggen dan
wanneer er nog nachtvorst aanwezig is. Het weer heeft verder ook
een invloed op het verloop van agrarische werkzaamheden zoals
het tijdstip waarop gemaaid wordt (en als gevolg het aanbod niet
gemaaid grasland, zie 5.2) en het daaraan gekoppelde
uitkomstsucces van legsels. Bovendien moeten eieren bij warm
weer minder bebroed worden.
De belangrijkste invloed van het weer is echter die op de
groei en overleving van kuikens. Grutto- en kievitkuikens zijn
nestvlieders die vanaf het uitkomen zelf hun kostje bijeen
moeten scharen. Aan deze levenswijze is een hoge energetische
kost verbonden (40% hoger dan bij door hun ouders gevoerde
nestblijvers, Schekkerman 2008) met als gevolg dat de kuikens
het grootste deel van de daglichtperiode moeten besteden aan
foerageren. Het foerageersucces wordt beïnvloed door het weer
en het grootste effect is afkomstig van de wind. Vooral bij
windsterktes boven 3-4 beaufort leidt de wind tot een afname van
het foerageersucces. Wellicht omdat in het bewegende gras
insecten minder zichtbaar en moeilijker te pakken zijn. Ook een
toenemende temperatuur blijkt volgens Schekkerman (2008) het
succes te verlagen, al kon dit niet onderscheiden worden van het
tijdstip van de dag. Regen heeft ook een effect maar dit blijft
eerder beperkt. Bij hevige regen stoppen kuikens echter volledig
met foerageren. Regen en koud weer zijn zeer belangrijk in de
eerste dagen na het uitkomen, dan moeten kuikens nog geregeld
bebroed worden door de ouders. Hoe meer ze bebroed worden hoe
minder tijd er overblijft om te foerageren. Op deze manier
kunnen kuikens achterop geraken en kuikens met een lagere
conditie hebben een hogere kans om te verdwijnen, enerzijds door
predatie, anderzijds door uitputting (Schekkerman et
al. 2005).
In tegenstelling tot gruttokuikens die overdag nauwelijks
meer bebroed worden na tien dagen, worden kievitkuikens zelfs na
drie weken nog bebroed. Dit is te wijten aan een langzamer
ontwikkelend metabolisme bij kievitkuikens (Visser &
Ricklefs 1993). Het resultaat is dat kievitkuikens gemiddeld
minder tijd kunnen besteden aan foerageren en dat ze hierdoor
gevoeliger zijn voor weersinvloeden dan grutto’s (Schekkerman
1997).
Behalve deze rechtstreekse weersinvloeden zijn er ook
interacties mogelijk tussen het graslandbeheer en het weer op
het insectenaanbod. Bij het ouder worden hebben de gruttokuikens
grotere prooien nodig om aan hun energiebehoefte te voldoen. Als
grote insecten minder aanwezig zijn als gevolg van het beheer
(lees: een hoge bemesting, zie ook 5.7) zullen ze meer tijd
moeten besteden aan foerageren en zijn ze gevoeliger voor
weersinvloeden.
Tenslotte heeft het weer, in combinatie met de
grondwaterstand, een invloed op de voedselbeschikbaarheid voor
volwassen vogels. Bij droog weer zullen regenwormen eerder
dieper in de bodem trekken en zal minder voedsel beschikbaar
zijn voor volwassen vogels. Bovendien wordt de
indringingsweerstand van de bodem dan snel te groot waardoor
grutto’s niet meer in de bodem kunnen foerageren. De
vochtigheidsgraad blijkt, behalve voor volwassen vogels, ook
belangrijk voor de voedselbeschikbaarheid van kievitkuikens
(Schekkerman 1997).
2009 werd gekenmerkt door een zeer warm en vrij droog
voorjaar. Dit leidde enerzijds tot snelle maaidata en anderzijds
tot een snelle uitdroging van de graslanden in de deelgebieden
van deze studie. In het Aubroek resulteerde dit weer in slechte
omstandigheden voor zowel de kuikens als voor volwassen vogels.
In Broekmeers werden de maaiverliezen beperkt door de uitvoering
van het weidevogelproject en bleef bovendien een groter aandeel
kuikenland over. In combinatie met het voor het foerageersucces gunstige weer is dit waarschijnlijk de
verklaring voor de hoge BTS-waarde die gevonden werd in
Broekmeers. Het weidevogelproject speelt via het uitstellen van
de eerste snede dus ook in op de weersinvloeden, vooral bij warm
en droog weer.
5.4 Historisch verloop gruttopopulatie
Eerst en vooral moet erop gewezen worden dat de oudste
indicatie voor het voorkomen van grutto’s misschien wel met
een korreltje zout moet genomen worden. Volgens van Damme &
Lostrie (1987) waren grutto’s vroeger zo talrijk aanwezig in
de regio dat hun eieren verzameld en verkocht werden voor de
tafels der rijken. Er is wel niet nader gespecificeerd wat
bedoeld wordt met vroeger. Als men echter bij de oude
landbouwers navraag doet over het voorkomen van grutto’s in de
Kalkense Meersen herinneren zij zich niet dat de grutto vroeger
(jaren ’30 - ’50) voorkwam en blijkt ‘de koning der
weidevogels’ hier misschien toch een ‘recente’
verschijning sinds de jaren ‘60. Het is wel mogelijk dat
grutto’s een paar eeuwen geleden algemeen waren en daarna
verdwenen, maar hiervoor werden geen bewijzen gevonden.
Volgens de broedgegevens broedde de grutto in de beginjaren
(jaren ’60 en ’70) in Wijmeers. Zij waren daar gedurende
enkele jaren aanwezig met twee à vier koppels. In 1979 vond een
verschuiving plaats van één koppel naar Langendonk en tussen
1980 en 1982 een verdere verschuiving van de koppels van
Wijmeers naar Langendonk, Molenmeers en Broekmeers. Volgens
Caekebeke & De Bruycker (1984) is deze verschuiving te
wijten aan een daling van het waterpeil als gevolg van het
uitbaggeren van de grachten in Wijmeers in het voorjaar van
1979. Nadien werd, tot in 2008, in Wijmeers geen enkel koppel
meer waargenomen. De twee knikken in de stijgende groeicurve van
de gruttopopulatie in 1993 en 1997 (fig. 4.2) zijn volgens
sommige historische gegevens te wijten aan weersomstandigheden.
Voor het lagere aantal broedparen in 1997 word het droge
voorjaar van het jaar voordien als mogelijke oorzaak
vooropgesteld (geg. R. Clinckspoor). Tevens wordt de extreem
droge en strenge winter aangehaald (Claus 2005). Op zich heeft
een strenge winter niet veel effect op de vogels zelf aangezien
ze in Afrika overwinteren. Een mogelijk effect van een strenge
winter kan zich wel uiten in de abundantie van regenwormen, het
stapelvoedsel van volwassen grutto’s. Timmerman et
al. (2006) constateerden dat koude
winters resulteren in een lagere abundantie van regenwormen in
de komende lente. Of dit één van de redenen is valt natuurlijk
niet met zekerheid te zeggen. Het jaar nadien (1998) was er
alleszins niet veel meer van te merken en steeg de populatie
verder tot een maximum van 30 koppels in 2002.
De laatste jaren blijft de populatie in de Kalkense Meersen
hangen op 25 koppels. Als oorzaak van de daling in 2003 worden
in de historische gegevens dezelfde redenen aangehaald als bij
de lichte knikken van 1993 en 1997. Opvallend is wel dat deze
stagnatie ongeveer samenvalt met het verschijnen van broedende
grutto’s in andere gebieden in de regio. Rond het station van
Schellebelle vestigden zich al broedende grutto’s in 1998 maar
in het Aubroek (Berlare) en de Paardenweide (Wichelen) werden ze
voor het eerst waargenomen vanaf 2001. In deze omliggende
gebieden is geen afname te zien na 2002. Integendeel, er wordt
zelfs een toename waargenomen (fig. 4.3). In 2005 broedden er
bijna dubbel zoveel koppels als in 2002. Deze trend kan op drie
verschillende manieren verklaard worden. Ten eerste kan het erop
wijzen dat enkele koppels om een of andere reden verhuisd zijn
van de Kalkense Meersen naar een ander gebied in de regio. Het
is ook mogelijk dat de stijging van het aantal koppels in de
regio verder ging in de jaren 2003 – 2005 maar dat de nieuwe
koppels eerder de randgebieden verkozen dan de Kalkense Meersen
zelf. De derde mogelijke verklaring ligt in het feit dat de
toename in de randgebieden te wijten is aan jongenaanwas. Dit
impliceert echter dat er in de Kalkense Meersen de laatste jaren
geen jongenaanwas plaatsvond. Claus (2005) haalt aan dat in de
periode 2003 – 2005 waarschijnlijk een laag broedsucces
behaald is door het vroegtijdig maaien, wat een mogelijke
verklaring zou kunnen zijn voor een beperkte aanwas van jongen
in de daaropvolgende jaren.
De echte oorzaak kan ook uit een combinatie van bovenstaande
verklaringen bestaan. Hoe dan ook suggereren deze verklaringen
dat de Kalkense Meersen op één of andere wijze niet meer
geschikt lijken voor nieuwe koppels om zich te vestigen en te
broeden en/of om voldoende jongen groot te brengen. In die zin
is het koppel dat sinds een aantal jaar op de Molenveldkouter
broedt veelzeggend. Dit koppel broedt in een raaigrasperceel dat
volledig omgeven is door zandige akkers, wat zeker geen optimaal
habitat is, integendeel. Het valt wel niet uit te sluiten dat we
hier te maken hebben met een afwijkend geval.
Betekenen deze cijfers dan dat de gruttopopulatie zijn
draagkracht bereikt heeft in de Kalkense Meersen? Dit lijkt
onwaarschijnlijk aangezien het gebied vrij groot is en er nog
geschikt habitat voor grutto’s onbezet is. Bovendien ligt de
gruttodichtheid in de Kalkense Meersen nog zeer laag in
vergelijking met de gemiddelde dichtheden in Nederland
(vergelijk met Schekkerman et
al. 2005). De ongeschiktheid als
broedhabitat uit zich waarschijnlijk eerder in een combinatie
van factoren. Enerzijds zorgen de bosjes, knotbomen en andere
kleine landschapselementen (KLE’s) ervoor dat de reservaatzone
niet open genoeg is en dat hiermee een hogere predatiedruk
gepaard gaat. Anderzijds wordt Broekmeers, de enige echte grote,
open grasvlakte in de meersen, redelijk intensief bewerkt
waardoor grote verliezen onder eieren en kuikens optreden. Dit
kan leiden tot een zeer laag broedsucces. De randgebieden worden
trouwens ook nog intensief bewerkt waardoor in die gebieden ook
niet zo’n hoog broedsucces verwacht wordt. Ondanks het feit
dat de broedplaatstrouw bij grutto’s gekoppeld is aan het
broedsucces (Schekkerman et
al. 2005), blijven de 25 koppels toch
aanwezig in de Kalkense Meersen. Over de jaren heen zijn er
evenwel grote verschuivingen waar te nemen in de kerngebieden
van de grutto’s.
Volgend op de verschuiving van Wijmeers naar Langendonk,
Molenmeers en Broekmeers werden in de periode 1985 - 1995 alle
deelgebieden van het studiegebied stilaan gekoloniseerd door de
groeiende gruttopopulatie (fig. 4.4). Als resultaat was elk
deelgebied in 1996 bezet met een viertal koppels. Enkel
Scherenmeersen had er toen zeven. Nadien steeg het aantal
koppels in Molenmeers opvallend sterk tot een maximum van tien
koppels in 2000. Ook het aandeel van Belham steeg toen een
beetje. Na deze piekjaren ging het echter snel bergaf met
Molenmeers en Scherenmeers. Molenmeers verloor waarschijnlijk
het merendeel van zijn koppels aan Broekmeers (fig. 4.5). De
koppels van Scherenmeersen verhuisden allemaal, waarschijnlijk
naar de aangrenzende deelgebieden Belham en Langendonk (fig.
4.6). Er moet wel vermeld worden dat de grenzen tussen de
deelgebieden, vooral tussen Langendonk en Scherenmeersen, door
de mens bepaald zijn en geen echte fysieke barrière vormen. De
grenzen vallen meestal wel samen met waterlopen zoals grote
beken, maar voor grutto’s vormen deze geen obstakel. Daarom
kunnen verschuivingen zoals die tussen Langendonk en
Scherenmeersen in 1988 – 1989 puur op toeval gebaseerd zijn
omdat enkele koppels bijvoorbeeld een tiental meter opgeschoven
zijn. De laatste jaren (2000-2009) zijn de verschuivingen
daarentegen veel duidelijker en gaan ze over grotere afstanden.
Naast verschuivingen tussen deelgebieden vonden ook
duidelijke verschuivingen binnen deelgebieden plaats. Dit
fenomeen heeft zich voornamelijk voorgedaan in Langendonk en
Belham in de periode 2000 – 2002. Vóór 2000 broedden de
grutto’s van Langendonk bijna allemaal in het noordoostelijk
deel. Tussen 2000 en 2002 zijn alle koppels de Blokstraat
overgestoken naar de gruttoweide, waar ze ook gebleven zijn tot
en met 2009. In Belham broedden de koppels vóór 2000 vooral in
het noordelijk deel, tegen Scherenmeers. Vanaf 2002 zitten ze
bijna allemaal zuidelijker tegen de Belhamstraat aan (Zijmeers).
De achterliggende oorzaken van deze verschuivingen, zowel
tussen als binnen deelgebieden, zijn niet altijd eenduidig en
het is bijgevolg geen sinecure om ze te proberen verklaren. In
wat hier volgt is toch getracht enkele factoren aan te duiden
die (mede) bepalend kunnen geweest zijn voor dergelijke
verschuivingen.
Het eerste grote punt dat belangrijk kan zijn is het beheer.
Het natuurbeheer dat in de Kalkense Meersen gevoerd wordt d.m.v.
hooien en nulbemesting leidt vooral tot een verschraling en
soortenrijkere plantengemeenschappen. Deze vegetatie is echter
minder fors en is meestal nog niet erg hoog opgeschoten wanneer
de grutto’s aankomen. Bovendien zijn in bemeste bodems
dikwijls meer regenwormen, het stapelvoedsel van volwassen
grutto’s, aanwezig (o.a. Standen 1984). Mogelijk leidt dit
natuurbeheer dus tot graslanden die niet meer geschikt zijn voor
volwassen grutto’s aangezien zij lang gras verkiezen om een
nest in te bouwen en omdat er op de bemeste percelen meer
voedsel aanwezig is. De verschuiving van Molenmeers naar
Broekmeers en de verschuiving die plaats vond binnen Langendonk
(van het NO deel naar de gruttoweide) zijn hier mogelijk door te
verklaren. In Molenmeers en het NO deel van Langendonk heeft
Natuurpunt namelijk een groot deel van de percelen in beheer
sinds het begin van de jaren ’90. Deze hypothese was de aanzet
tot verder onderzoek waarin onderzocht werd of niet bemeste
percelen van Molenmeers werkelijk minder wormen bevatten en of
de vegetatie er ook korter was dan op bemeste percelen van
Broekmeers (dit wordt verder uitgediept in secties 5.5 en 5.6).
Een tweede factor die aan de basis kan liggen van een
verschuiving is verstoring. Verstoring kan zich voordoen onder
allerlei vormen zoals predatie, verkeer, landbouwwerkzaamheden,
aanwezigheid van andere organismen die het habitat ongeschikt
maken, enzovoort. Verstoring onder de vorm van predatie en
verkeer werd reeds besproken in 5.1.1. De gevolgen van
landbewerkingen zoals bemesten en maaien tijdens het
broedseizoen spreken voor zich. Vele nesten en jongen overleven
het niet waardoor de vogels een laag broedsucces behalen. Bij
grutto’s is de broedplaatstrouw gekoppeld aan het broedsucces
(Schekkerman et
al. 2005). Dit wil zeggen dat koppels
normaal gezien elk jaar naar dezelfde plaats terugkeren om te
broeden als op die plaats voldoende broedsucces behaald werd in
de voorgaande jaren. Bij een laag broedsucces is het
waarschijnlijk dat ze betere oorden opzoeken. In ons geval zal
dit leiden tot een verschuiving, ofwel binnen de Kalkense
Meersen, ofwel naar andere gebieden. Als laatste vorm van
verstoring wil ik wijzen op andere organismen die door hun
aanwezigheid en levenswijze een negatief effect kunnen hebben op
de grutto’s. Een voorbeeld hiervan zijn de ganzen die sinds
een tiental jaar talrijk aanwezig zijn in de Kalkense Meersen.
Deze ganzen (vooral Canadese ganzen (Branta
canadensis) en Nijlganzen (Alopochen
aegyptiaca)) zijn het hele jaar door
aanwezig op Scherenmeersen, exact op dezelfde percelen waar
vroeger het merendeel van de grutto’s broedde. Enerzijds
zorgen deze relatief agressieve en luidruchtige ganzen voor
verstoring door hun talrijke aanwezigheid. Anderzijds grazen ze
het gras kort en deponeren ze de percelen vol met (zure)
uitwerpselen waardoor deze niet meer geschikt zijn als
broedhabitat voor grutto’s. De aanwezigheid van deze ganzen is
waarschijnlijk één van de verklaringen waarom Scherenmeersen de
laatste jaren zijn status als kerngebied verloren is.
De verschuiving binnen Belham is mogelijk te wijten aan het
feit dat de percelen langs de Belhamstraat natter zijn waardoor
ze later gemaaid worden. Bovendien is daar meer microreliëf
aanwezig onder de vorm van depressies, bultjes en ondiepe
beekjes wat bevorderlijk is voor weidevogels. Microreliëf zorgt
voor afwisseling in de vegetatie waardoor ze geschikt wordt als
broedhabitat voor verschillende soorten weidevogels. Als gevolg
hiervan kunnen hogere dichtheden bereikt worden. Weidevogels
zijn ervoor gekend dat ze samenwerken bij het verdedigen van
nesten en jongen tegen predators en hogere dichtheden leiden
bijgevolg tot een hogere efficiëntie van deze
verdedigingstechniek. Deze efficiëntere verdediging kan ook
verklaren waarom de grutto’s enkel in een paar clusters
voorkomen binnen de Kalkense Meersen en dat weinig koppels apart
broeden. Het is te vergelijken met het zogenaamde ‘Allee-effect’
(o.a Stephens 1999). Dit is het effect waarbij kleine populaties
van organismen ineenstorten als de populatiegrootte onder een
bepaalde drempelwaarde zakt. Dit effect treedt bijvoorbeeld op
bij sociale organismen waarbij onder een bepaalde
populatiegrootte de sociale structuur van de populatie uiteen
valt. In het geval van de grutto’s is de efficiëntie van het
verdedigen veel lager bij lage dichtheden. Ze moeten alle
verdediging zelf doen en verliezen daarbij ook veel meer
energie. Als gevolg zal het broedsucces in de meeste gevallen
laag zijn en kan de populatie op termijn ineenstorten.
Verschuivingen van alle koppels uit een bepaald gebied naar een
ander gebied kunnen dus ook het gevolg zijn van een paar koppels
die verhuizen. De andere koppels volgen dan mogelijk om te
kunnen blijven profiteren van de hogere dichtheid.
Voor de kievit was het niet mogelijk een historisch verloop
te reconstrueren omdat er niet genoeg gegevens beschikbaar
waren. Kievitpopulaties zijn in het verleden nooit echt goed
geïnventariseerd geweest. Op telformulieren van
broedvogelinventarisaties wordt meestal enkel aangeduid dat de
soort aanwezig is maar het aantal broedparen wordt niet geteld
of vermeld. Het opvolgen van de kievitpopulaties is echter nodig
om een achteruitgang van deze soort tijdig op te merken.
Kievitpopulaties hebben tegenwoordig ook veel te lijden onder de
intensivering van de landbouw en zouden, zoals in 5.1.2 gesteld,
wel eens kunnen instorten in de nabije toekomst.
5.5 Voedselaanbod onder de vorm van regenwormen
Uit het historisch overzicht van de broedlocaties van grutto’s
in de Kalkense Meersen (5.4) blijkt de laatste jaren een
duidelijke verschuiving aan de gang te zijn. Sinds de
eeuwwisseling zijn grutto’s deelgebieden waar tegenwoordig een
groot aandeel van de percelen onder natuurbeheer valt beginnen
mijden en trekken ze naar meer intensievere deelgebieden die nog
bemest worden. Deze duidelijke verschuiving riep nieuwe vragen
op waarvan de antwoorden mogelijk een verklaring bieden voor
deze veranderde nestplaatskeuze. Is er op bemeste percelen meer
voedsel aanwezig voor volwassen grutto’s onder de vorm van
regenwormen? Is de vegetatie hoger op bemeste percelen op het
moment dat ze aan een nest beginnen? Hoe zit het met de
kruidenrijkdom op de bemeste percelen en wat is het gevolg
daarvan op de voedselbeschikbaarheid voor kuikens? Het antwoord
op de twee laatste vragen wordt respectievelijk gegeven in
secties 5.6 en 5.7. In deze sectie wordt ingegaan op het
verschil in het aantal en de biomassa regenwormen tussen bemeste
percelen van Broekmeers en onbemeste percelen van Molenmeers. Er
wordt ook aandacht besteed aan de algemene effecten van
bemesting en de grondwaterstand op de bodemfauna en verschillen
tussen bemestingsvormen aan de hand van wat in de huidige
beschikbare literatuur te vinden is.
In de proefvlakken op bemeste percelen van Broekmeers werden
bijna driemaal zoveel regenwormen m-2 gevonden
dan in de proefvlakken op niet bemeste percelen in Molenmeers
(fig. 4.7). De aantallen die in de resultaten (zie 4.4)
weergegeven worden zijn mogelijk nog een onderschatting van het
werkelijk aantal wormen dat aanwezig is omdat bij het
uitsorteren maar de bovenste 15 cm van de bodem opgegraven werd.
Wormen zitten dikwijls ook dieper, afhankelijk van de
grondwaterstand. Toch is het gevonden aantal wormen
representatief voor het voedselaanbod voor grutto’s aangezien
ze met hun snavel enkel de bovenste 12 cm kunnen bereiken. Ook
de totale biomassa van regenwormen lag veel hoger in bemeste
proefvlakken (fig. 4.8). De verklaring hiervoor ligt
hoofdzakelijk bij het grotere aantal regenwormen in bemeste
proefvlakken en niet omdat de wormen daar ook zwaarder wogen. De
gemiddelde massa van wormen was wel iets hoger in de bemeste
proefvlakken, maar dat verschil was niet significant. De
zwaarste wormen (>1g) werden wel bijna allemaal gevonden in
bemeste proefvlakken maar aangezien het verschil in gemiddelde
gewicht niet significant is wijst dit erop dat er in vergelijking met
onbemeste proefvlakken ook zeer veel lichte wormpjes aanwezig
waren. De gevonden biomassa van 159,4 g m-2 is
hoog (Timmerman et al.
2006). In goed bemeste weidevogelreservaten wordt 70 – 120 g m-2
gevonden in de periode april/mei (Brandsma 1999). In
weidevogelreservaten wordt meestal wel iets minder bemest dan op
gangbaar agrarisch grasland zoals Broekmeers. De kritische
ondergrens ligt voor de grutto bij 15 – 30 gram regenwormen m-2
en de aantallen nemen doorgaans boven deze grens al af
(Brandsma 1999). Volgens Hut & Helmig (2003) ligt de grens
tussen goede en minder goede weidevogelreservaten rond 60 g m-2.
Het is duidelijk dat Molenmeers met gemiddeld 35,7 gram m-2 deze grens op het moment van de bemonstering niet haalt.
Of dit duidelijke verschil in aantal en biomassa enkel te
wijten is aan een verschil in bemesting is niet eenduidig.
Hoogstwaarschijnlijk speelt er ook een effect van de
grondwaterstand mee. Hoewel de locatie van de proefvlakken in
bemeste en onbemeste percelen bepaald werd op basis van een
gelijkaardige bodemtextuur en hydrologie waren de percelen in
Molenmeers nog veel natter op het moment van de staalname. Bij
langdurige overstroming is bekend dat regenwormpopulaties sterk
afnemen of zelfs verdwijnen (o.a. Plum 2005). Ausden et
al. (2001) stelden vast dat de biomassa van de meeste
bodembewonende macroinvertebraten sterk afnam in gebieden die
onderhevig zijn aan overstroming tijdens de winter, ondanks het
feit dat verschillende soorten regenwormen lange perioden van
overstroming kunnen overleven. Men veronderstelt dat regenwormen
overstroomde bodems vermijden wegens een gebrek aan zuurstof en
het voorkomen van schadelijke gassen, eens anoxische condities
optreden (Mather & Christensen 1988). Bovendien lag in de
studie van Ausden et
al. (2001) de biomassa van macroinvertebraten veel
lager op recent overstroomde percelen in vergelijking met
percelen die voorheen al meerdere jaren geconfronteerd werden
met winteroverstroming. De auteurs schrijven dit effect toe aan
de grotere hoeveelheid afbrekend organisch materiaal dat
dikwijls aanwezig is op recent overstroomde percelen. Grote
hoeveelheden afbrekend materiaal consumeren immers sneller de
beschikbare zuurstof en resulteren bijgevolg snel in anoxische
condities.
Regenwormen zijn in staat om bovengronds relatief grote
afstanden te overbruggen (Mather & Christensen 1992, Darwin
1881). Volgens Ausden et
al. (2001) is de verklaring voor de lagere biomassa
in overstroomde percelen dan ook te zoeken in het feit dat ze de
bodem verlaten wanneer deze onder water komt te staan. Deze
regenwormen zullen zich dan concentreren in de bovenste lagen
van niet overstroomde bodem, wat tevens de aantrekking van
steltlopers kan verklaren aan de rand van overstroomde
graslanden. Verder was er tijdens de studie niet echt sprake van
een rekolonisatie tijdens de lente, wat volgens de auteurs niet
verwonderlijk is aangezien sommige soorten vrij trage
kolonisatiesnelheden hebben. Bovendien wordt rekolonisatie
bemoeilijkt door effecten van de overstroming zelf. Overstroming
kan leiden tot een compactere bodem en het verdwijnen van een
duidelijke bodemstructuur, wat lucht- en waterbewegingen
moeilijker maakt en bijgevolg ook de voortbeweging van
regenwormen belemmert.
Het grondwater staat in het gros van de niet bemeste percelen
in Molenmeers tijdens de winter boven het maaiveld. Het is dus
waarschijnlijk dat de grondwaterstand een grote rol speelt in de
verschillen die gevonden werden tussen Molenmeers en Broekmeers.
Omdat Molenmeers iets lager ligt dan het grootste deel van
Broekmeers zal het waterpeil daar later in het voorjaar onder
het maaiveld zakken en kunnen de regenwormen bijgevolg de bodem
van Molenmeers maar later rekoloniseren. Dit kan ook verklaren
waarom in de niet bemeste proefvlakken zeer veel kleine, witte
wormpjes gevonden werden, waarschijnlijk juvenielen, wat kan
wijzen op het begin van de rekolonisatie. Omdat ik geen kennis
heb van de verschillende soorten wormen valt wel niet uit te
sluiten dat dit gewoon een andere soort was. Deze minieme wormpjes werden niet meegeteld omdat ze zo klein
zijn dat ze vermoedelijk geen bijdrage leveren aan het voedsel
van grutto’s.
De rol die de bemesting speelt in het verschil is eveneens
niet zo eenvoudig vast te stellen omdat factoren zoals het weer,
bodemtype en vegetatie ook een invloed uitoefenen op
regenwormpopulaties. In het algemeen neemt het aantal en de
biomassa regenwormen toe met een toenemende bemesting (o.a.
Hansen & Engelstad 1999), en zijn deze parameters positief
gecorreleerd met de pH (Standen 1984, Oosterveld & Altenburg
2005). Als de bodem pH onder 4,5 zakt zijn er meestal geen
regenwormen meer aanwezig (Curry 2004). Bemesting met organische
mest zorgt voor een toename van organisch materiaal (het voedsel
van regenwormen) en houdt de pH op peil (Oosterveld 2006). Uit
enkele studies blijkt de pH echter een belangrijkere factor dan
bemesting. Verhulst et
al. (2007) geven aan dat een toename van de
prooidensiteit niet altijd verwezenlijkt kan worden door een
hogere mestgift maar dat eerder de nadruk moet gelegd worden op
het behouden van een hoge pH. De verrassendste resultaten zijn
afkomstig van Timmerman et
al. (2006). Deze onderzoekers constateerden dat na 25
jaar zonder bemesting het aantal wormen niet daalde en dat er
zelfs geen verschil aanwezig was in vergelijking met bemeste
percelen. Het aantal wormen was zelfs hoger in de onbemeste
behandeling dan in de behandeling met drijfmest. Deze
bevindingen zijn dus totaal tegengesteld aan de algemene
gedachte, dat de abundantie van regenwormen stijgt bij bemesting
(Curry 2004). De auteurs suggereren dat deze resultaten
gerelateerd zijn aan de hydrologie en bodemcondities van het
onderzoeksgebied. Het gebied (in Nederland) wordt gekenmerkt
door een hoge grondwatertafel en de uittredende kwel resulteert
in een relatief hoge natuurlijke bodem pH. Door het optreden van
kwel tot in het maaiveld is dus ook zonder bemesting en
bekalking de zuurtegraad en de hoeveelheid organisch materiaal
blijkbaar geschikt voor het talrijk voorkomen van regenwormen
(Oosterveld 2006).
Aangezien in Molenmeers ook kwel optreedt tot in het maaiveld
en het bodemtype gelijkaardig is aan dat uit de studie van
Timmerman et al.
(2006) (klei op veen), kan verwacht worden dat Molenmeers ook
aanzienlijke densiteiten aan regenwormen kan bevatten.
Waarschijnlijk treden deze grotere aantallen pas later op in het
voorjaar, na de rekolonisatie die mogelijk gemaakt wordt door
een daling van de grondwaterstand. Dit kan echter pas
geverifieerd worden wanneer de bodem in Molenmeers bemonsterd
wordt op een later tijdstip in het voorjaar, wat een suggestie
kan zijn voor verder onderzoek.
Naast de hoeveelheid toegediende mest heeft ook de
bemestingsvorm een invloed op het aantal en de biomassa
regenwormen. Over het algemeen wordt best organische mest
gebruikt omdat deze de beste resultaten levert. In de meeste
studies levert organische mest een hogere abundantie van
regenwormen op terwijl de effecten van anorganische mest
(minerale mest) variëren (Estevez et
al. 1996). De negatieve effecten van anorganische
meststoffen zijn veelal te wijten aan verzuring van de bodem
door bijvoorbeeld ammonium of sulfaat (Ma et
al. 1990). Bovendien voegt kunstmest geen verse
organische stof toe aan de bodem (Oosterveld 2006).
Bij bemesting met organische mest is ook het soort mest
(drijfmest, vaste mest) en de wijze waarop deze toegediend wordt
van belang. Vaste mest blijkt in de meeste studies de beste
resultaten op te leveren (o.a. Oosterveld & Altenburg 2005,
Timmerman et al. 2006,
Oosterveld 2006). Na toediening van drijfmest is soms een
negatief effect waar te nemen op de regenwormenpopulaties.
Oosterveld (2006) constateerde dat in de eerste vier weken na de
toediening van drijfmest de biomassa aan regenwormen afnam met
54% (zodenbemesting: hierbij wordt mest in geultjes van 5 cm
diep in de bodem gebracht) en 60% (sleepvoetenbemesting: hierbij
wordt mest in stroken op en tussen het gras gelegd) en bij vaste
mest gelijk bleef. Na vier weken was dit verschil wel verdwenen.
Verder werd bij zodenbemesting en sleepvoetenbemesting respectievelijk 35% en
25% lagere aantallen wormen gevonden in vergelijking met vaste
mest. Tussen de biomassa werd echter geen verschil gevonden wat
erop wijst dat bij drijfmest minder, maar zwaardere wormen
aanwezig waren. De invloed van zodenbemesting is vrij complex.
Soms resulteert zodenbemesting in een afname, soms in een
toename van het aantal regenwormen. In het geval van een afname
is dit meestal van tijdelijke aard en treedt binnen één tot
enkele maanden herstel op (Huijsmans et
al. 2008). Deze afname gedurende een maand of langer
kan wel van belang zijn aangezien meestal bemest wordt in maart,
wanneer de grutto’s net toekomen. In de studie van Oosterveld
(2006) werden evenwel geen bewijzen gevonden voor een lager
foerageersucces na zo’n afname. Grutto’s blijken bij 100
gram regenwormen m-2 genoeg energie te
kunnen verzamelen als ze 5,5 uur foerageren per dag (Wymenga
& Alma 1998).
Aangezien bij vaste mest geen incidentele afname
geconstateerd wordt en dat in het algemeen betere resultaten
bereikt worden dan met drijfmest (Timmerman et
al 2006, Oosterveld 2006, Hansen & Engelstad
1999), is de algemene gedachte, dat vaste mest de beste
oplossing biedt in weidevogelreservaten, waarschijnlijk wel
gerechtvaardigd. Bovendien kan vaste mest volgens Timmerman et
al. (2006) nog een meerwaarde bieden als
nestmateriaal voor vogels of via effecten op de bodemstructuur
en de entomofauna. Ondanks de aanbeveling voor vaste mest,
worden met drijfmest ook nog zeer goede resultaten bereikt.
Timmerman et al. (2006)
zien dan ook geen echte reden om drijfmest te bannen en
Oosterveld (2006) hanteert als vuistregel dat men beter
drijfmest gebruikt dan geen mest. Oosterveld (2006) vertelt er
ook wel bij dat deze vuistregel niet overal geldt. Zoals blijkt
uit de studie van Timmerman et
al. (2006) moet men in gebieden met kwel tot in het
maaiveld terughoudend zijn met drijfmest. Toepassing van
drijfmest leverde daar immers 20-30% minder regenwormen op dan
bij vaste mest en geen bemesting !
Om te bemesten moeten landbouwers natuurlijk hun land op. De
landbouwwerkzaamheden zelf hebben volgens Hansen & Engelstad
(1999) ook nog een effect op het aantal regenwormen. In hun
studie werden minder wormen gevonden wanneer de intensiteit van
het ‘landbouwverkeer’ hoog was.
Uit al deze informatie over de invloed van de grondwaterstand
en bemesting op het voorkomen van regenwormen kan afgeleid
worden dat de oorzaak van het grote verschil tussen Molenmeers
en Broekmeers vooral te zoeken is bij de hogere grondwaterstand.
Het tijdstip waarop dit grote verschil optreedt is wellicht
afhankelijk van de weersomstandigheden. Februari en maart waren
in 2010 vrij koud. Als het weer in deze maanden redelijk droog
en warm is zal in Molenmeers het grondwaterpeil sneller dalen en
zal de regenwormenpopulatie zich sneller kunnen herstellen.
Daartegenover staat dat de wormen op de iets drogere percelen
van Broekmeers evenwel sneller in het voorjaar diepere
grondlagen zullen opzoeken waardoor de voedselbeschikbaarheid
voor grutto’s daar lager kan uitvallen. De ongeschiktheid van
Molenmeers als foerageergebied voor volwassen vogels bij de
start van het voorjaar zal dus variëren met de jaren. Door de
hogere watertafel wordt Molenmeers waarschijnlijk wel
belangrijker als foerageergebied naarmate het broedseizoen
vordert en de percelen van Broekmeers te droog worden. De
staalname in het kader van deze studie is vermoedelijk wel niet
100% representatief voor heel Broekmeers maar eerder voor de
iets hoger gelegen percelen aan de oostelijke zijde. Het
noordwestelijke deel van Broekmeers is lager gelegen en daar
staat het water in de winter en het voorjaar ook boven het
maaiveld. De situatie zal daar dus vermoedelijk gelijkaardig
zijn aan die van Molenmeers.
Om de bemestingsstrategie voor een weidevogelreservaat te
kiezen is het van belang zowel de zuurtegraad als de bodemfauna
te kennen. Een eenmalige bemonstering van de bodemfauna is
daarbij onvoldoende omdat de weersomstandigheden het effect van
bemesting kunnen overheersen. Timmerman et
al. (2006) constateerden namelijk dat er een grote
jaarlijkse variatie optreedt in aantallen en biomassa regenwormen die het gevolg is van hoe streng de
voorafgaande winter is. Na koude en natte winters worden in het
voorjaar minder regenwormen aangetroffen. Deze grote variatie
tussen jaren benadrukt de voorzichtigheid waarmee resultaten van
korte termijn studies met een beperkt aantal proefvlakken, zoals
deze, geïnterpreteerd moeten worden.
Aangezien de bodem pH in Molenmeers en Broekmeers optimaal is
voor het in stand houden van aanzienlijke regenwormpopulaties
zou ik aanraden terughoudend te zijn met bemesting voor het
weidevogelgebied. Bemesting houdt de grasgroei op peil maar
hypothekeert meestal het voedselaanbod voor de kuikens (zie
verder, 5.7). Verder onderzoek naar de pH en de bodemfauna bij
afwezigheid van bemesting is daarom gewenst in het toekomstige
weidevogelgebied van het Sigmaplan.
5.6 Vegetatiehoogte
Naast het voedselaanbod kan ook de hoogte van de vegetatie
een rol spelen in de nestplaatskeuze van grutto’s. Grutto’s
maken hun nest immers liefst in vrij hoog gras (Beintema et
al. 1995). Enerzijds houdt bemesting de grasgroei op
peil (Oosterveld 2006). Anderzijds zorgt een verhoging van de
watertafel, met overstroming tijdens de winter als gevolg, voor
een lagere vegetatie in het voorjaar (Ausden et
al. 2001). Om deze redenen zal de vegetatie op niet
bemeste percelen met een hogere waterstand in het voorjaar lager
zijn dan op bemeste, drogere percelen. Verschraling en het
verhogen van de watertafel zijn nu net de kenmerken van het
natuurbeheer dat in het grootste deel van Molenmeers ingevoerd
wordt sinds de jaren ‘90. Het natuurbeheer resulteert dan ook
in een lagere vegetatie bij de start van het broedseizoen.
Eind maart, begin april was de vegetatie in Broekmeers
gemiddeld ongeveer 1 cm hoger dan in Molenmeers, wat eigenlijk
niet zo veel is (zie fig. 4.9). Het verschil ligt vermoedelijk
hoger omdat op de percelen in Molenmeers veel afgestorven, harde
plantendelen aanwezig waren van het vorige seizoen. Het
plastieken mapje bleef eerder rusten op deze afgestorven
plantendelen dan op de verse, groene vegetatie. Dit heeft geleid
tot een lichte overschatting van de gemiddelde vegetatiehoogte
in Molenmeers. Bovendien was een week later de hoogte van de
vegetatie in Broekmeers bijna verdubbeld terwijl die in
Molenmeers nog zeer laag bleef (eigen waarneming). Kleijn et
al. (2007) constateerden dat de hoogteontwikkeling
2-3 keer zo snel gaat op gangbaar beheerde percelen (veel mest)
in vergelijking met kruidenrijke percelen (beperkte mestgift).
Deze waarnemingen bevestigen dat in Molenmeers (en ook in
Langendonk) de vegetatie van verschraalde percelen bij de start
van het broedseizoen minder geschikt is voor de grutto’s om in
te nestelen. Het is daarom zeer waarschijnlijk dat deze factor
mee bepalend is voor de verschuiving naar Broekmeers die de
laatste jaren aan de gang is. Dit neemt niet weg dat een korte
vegetatie niet gunstig is voor andere weidevogels. Kieviten, en
ook tureluurs (Tringa
totanus) hebben een voorkeur voor een kortere
vegetatie. De vegetatie die ontstaat bij natuurbeheer zal voor
deze soorten dus betere nestgelegenheden bieden dan hoog
opgeschoten gras (Ausden 1996).
5.7 Kruidenrijkdom en insectenaanbod voor kuikens
Volgens Oosterveld & Altenburg (2005) kan in het algemeen
gesteld worden dat hoe kruidenrijker de vegetatie is, des te
meer ongewervelden aanwezig zijn in de vegetatie en op de
bodemoppervlakte. Omdat gruttokuikens zich hoofdzakelijk voeden
met in de vegetatie levende invertebraten (Schekkerman 1997),
impliceert dit dat kruidenrijke vegetaties de beste
foerageermogelijkheden bieden voor opgroeiende kuikens. Het is
bekend dat bij bemesting de soortenrijkdom van vegetaties
afneemt en niet bemeste percelen kruidenrijker zijn (o.a.
Willems et al.
1993, Oosterveld & Altenburg 2005). In de niet bemeste
percelen van Molenmeers lag de soortenrijkdom inderdaad veel
hoger in vergelijking met bemeste percelen van Broekmeers (zie
4.6). Terwijl de proefvlakken van Broekmeers gedomineerd werden
door grassen waren de proefvlakken van Molenmeers veel
kruidenrijker. De vegetatie van Molenmeers zal bijgevolg veel
geschikter zijn voor gruttokuikens.
Door te broeden op bemeste percelen die intensief bewerkt
worden trappen grutto’s in een ecologische val. Niet alleen
omdat er grotere verliezen optreden door een hogere intensiteit
aan landbouwwerkzaamheden, maar ook omdat een hoge mestgift het
voedsel voor de kuikens hypothekeert. Het grootste effect is
afkomstig van het sneller maaien van bemeste percelen. Na de
eerste snede op agrarische percelen worden dubbel zoveel
invertebraten gevonden op nog niet gemaaide reservaatpercelen
(Schekkerman 1997). Met deze reservaatpercelen worden
weidevogelreservaten bedoeld, waar in Nederland een lichte
bemesting met vaste mest toegepast wordt (streefdoel is daar 100
kg N ha-1 jaar-1,
inclusief atmosferische depositie van ongeveer 50 kg N ha-1 jaar-1). Deze factor is voor
weidevogels zeer relevant aangezien de eerste snede op agrarisch
grasland dikwijls samenvalt met de periode waarin de meeste
kuikens aanwezig zijn. Ook de biomassa van vegetatiebewonende
arthropoden neemt af met toenemende bemesting, al treedt deze
afname voornamelijk op onder de 100 kg N ha-1 jaar-1.
Van zodra deze grens overschreden wordt, lijkt de biomassa niet
meer verder te dalen (Siepel 1990).
Het totaal aantal of de biomassa arthropoden is volgens
Kleijn et al.
(2007) mogelijk geen goede maat voor de voedselbeschikbaarheid
van gruttokuikens omdat het grootste deel hiervan bestaat uit
prooidieren die te klein zijn om energetisch aantrekkelijk te
zijn. Over het belang van de beschikbaarheid van grote
prooidieren voor de ontwikkeling van gruttokuikens is echter nog
weinig geweten en verder onderzoek is absoluut noodzakelijk
(Kleijn et al.
2007). Aangezien de grootste insecten gevonden worden op niet
bemeste percelen (Siepel 1990) zijn deze waarschijnlijk het
beste biotoop voor gruttokuikens.
Bovendien scoren schrale, kruidenrijke vegetaties volgens
Kleijn et al.
(2007) ook het beste op vlak van fysieke geschiktheid voor
gruttokuikens. De vegetatie blijft daar tijdens het hele
voorjaar vrij ijl waardoor kuikens hier het minste energie
zullen verspillen tijdens hun zoektocht naar prooien in de
vegetatie. De vegetatie van percelen met een gangbare mestgift
wordt meestal al te dicht in mei waardoor deze ongeschikt wordt
voor foeragerende gruttokuikens. Om deze reden raden Kleijn et
al. (2007) aan om uitgestelde maaidata vooral te
plaatsen op kruidenrijke, lichter bemeste percelen of op
percelen waar de gewasproductie door andere factoren, zoals een
hoge waterstand, beperkt wordt. Wanneer beheerpakketten met
uitgestelde maaidatum uitgevoerd worden op zwaar bemeste grond
dragen deze niet bij tot het verbeteren van de voedselsituatie
van gruttokuikens. Bijkomend stellen Kleijn et
al. (2007) dat hergroeide percelen niet tot
kuikenland kunnen gerekend worden omdat deze niet geschikt zijn
voor kuikens. Na het maaien bieden ze zo goed als geen voedsel
voor gruttokuikens en wanneer door hergroei het voedselaanbod
stilaan verbetert is de vegetatie meestal al te dicht.
Als besluit kan gesteld worden dat schrale, kruidenrijke
vegetaties zowel via het voedselaanbod als via de fysieke
geschiktheid de grootste bijdrage zullen leveren tot het
foerageersucces en de daarmee gepaard gaande overleving van gruttokuikens. Vegetaties onder
natuurbeheer, zoals te vinden in Molenmeers, zijn dus ideaal
kuikenland. Volgens Melman et
al. (2008) moet minstens 1,4 ha geschikt kuikenland
beschikbaar zijn per gruttokoppel. De sterker bemeste percelen
van Broekmeers dragen minder bij tot het foerageersucces en de
overleving van kuikens en zullen bijgevolg gemeden worden door
gruttofamilies. Het noordelijk deel van Broekmeers is de laatste
jaren wel natter geworden, waarschijnlijk door slecht onderhoud
van bepaalde grachten. Door de vernatting en de daaraan
gekoppelde daling van de mestgift is de vegetatie daar korter,
kruidenrijker en dus geschikter geworden voor kuikens. Bovendien
hebben grutto’s volgens Raes et
al. (2009) bij vestiging in hun territoria een
voorkeur voor kruidenrijke vegetaties. Dit kan ook verklaren
waarom het leeuwendeel van de koppels in die overgangszone
broedt en foerageert.
5.8 Een toekomst voor grutto’s? Aanbevelingen voor de
inrichting en het beheer.
Uit deze studie blijkt dat de gruttodichtheid in de Kalkense
Meersen nog zeer laag ligt in vergelijking met andere
weidevogelgebieden in Nederland (Schekkerman et
al. 2005). Het gebied bezit vermoedelijk wel het
potentieel om een grotere gruttopopulatie uit te bouwen maar op
dit moment wordt de geschiktheid van het habitat mogelijk
verlaagd door tal van factoren zoals de beperkte openheid met de
daaraan gekoppelde predatiedruk, verkeer, interacties tussen
bemesting en grondwaterstand op het voedselaanbod voor volwassen
vogels en kuikens,... Op basis van literatuur en eigen
bevindingen kan ik enkele maatregelen aanbevelen voor de
toekomstige inrichting en beheer van de Kalkense Meersen. Deze
maatregelen kunnen de populatiegrootte en het broedsucces van de
grutto’s en andere weidevogels bevorderen.
De openheid van het gebied is zeer belangrijk. De
predatiedruk neemt af met de openheid van het landschap. Kleine
landschapselementen en bosjes bieden enerzijds beschutting en
jachtmogelijkheden aan marterachtigen en vossen waardoor ze
gemakkelijker ongezien bij de nesten van weidevogels geraken.
Gevarieerde landschappen waarin een intense afwisseling optreedt
in bodemgebruiksvormen (bossen, graslanden,..) en bijhorende
lineaire structuren (perceelsranden, houtkanten,..) bieden hen
ook meer mogelijkheden tot de uitbouw van grotere populaties
(Verkem et al.
2003). Anderzijds fungeren bomen(rijen) en bosjes als nest- en
uitkijkplaatsen voor gevleugelde predators zoals buizerd en
zwarte kraai. Kraaiachtigen maken gebruik van zoekbeelden en
leren snel waardoor weidevogels met zichtbare en bereikbare
nesten gevoelig zijn (Bos & Vugteveen 2005). De
verstoringsafstand van opgaande begroeiing en bos bedraagt
respectievelijk 100 en 200 m (Oosterveld & Altenburg 2005).
De bosjes, bomen(rijen) en overtollige weidepaaltjes worden dus
best verwijderd. Dit geldt vooral voor Molenmeers, Langendonk en
de randen van Broekmeers, maar ook voor de populierenbosjes op
Belham en Scherenmeersen en de populieren langs de Belhamstraat.
Broekmeers is nog een zeer open gebied wat waarschijnlijk één
van de factoren is voor het hogere BTS dat daar gevonden werd.
In een open landschap kunnen predators sneller opgemerkt en
efficiënter verjaagd worden.
Een tweede maatregel die aangeraden wordt is het verhogen van
de grondwatertafel. Een hogere watertafel heeft een negatieve
invloed op grondpredatoren zoals zoogdieren (Teunissen et
al. 2005). Bellebaum & Bock (2009), die de
invloed van grondpredatoren en waterstand op het broedsucces van
kieviten onderzochten, concluderen dat de overleving van
kievitjongen stijgt wanneer water langer vastgehouden wordt in
de jongenfase. Het inrichten van bredere watergangen waar
zoogdieren moeilijk langs kunnen kan ook helpen. Om predatie
tegen te gaan is het uitschakelen van één of enkele predatoren
geen goed idee omdat andere predators de rol dan overnemen.
Predatie (en verstoring) vormen vooral een probleem in
combinatie met andere verliesoorzaken. Simulaties waarbij alle predatie uitgeschakeld werd boden nog geen garanties voor het
voortbestaan van een populatie (Teunissen et
al. 2005).
Verhogen van de watertafel heeft ook een indirecte invloed op
de voedselbeschikbaarheid. Doordat een minder hoge en
kruidenrijkere vegetatie gevormd wordt, zullen percelen
geschikter worden als foerageergebied voor gruttokuikens. De
voedselomstandigheden van de zeer korte vegetatie in de
nabijheid van plasdras situaties zijn bovendien ideaal voor
kieviten en tureluurs. De aanwezigheid van deze korte vegetatie
zal bovendien de nood aan gemaaide percelen voor kieviten
beperken. De plasjes zelf bieden tevens een alternatieve
voedingsbron voor deze soorten, die zich ook voeden met
aquatische larven van ongewervelden (Ausden 1996). Een hoge
waterstand verlaat het tijdstip waarop de bodem ondoordringbaar
wordt en regenwormen dieper in de bodem kruipen. Op deze manier
blijft het voedselaanbod voor volwassen vogels langer op peil
wat ook van belang kan zijn voor vervolglegsels (schekkerman
1997). Water tot in het maaiveld heeft echter ook negatieve
gevolgen op het aantal wormen (Ausden et
al. 2001). Om deze reden moeten ook iets drogere
percelen aanwezig zijn in een weidevogelgebied. Siepel et
al. (1990) en Schekkerman (1997) vonden zelfs dat
iets drogere gronden meer macroinvertebraten herbergen dan
natte. In de studie van Schekkerman (1997) was dit verschil
echter niet significant.
Naast de invloed op de voedselbeschikbaarheid speelt de
vochtigheid ook een rol in de geschiktheid van het nesthabitat.
Grutto’s zijn niet zo kritisch maar soorten zoals kemphaan (Philomachus
pugnax), watersnip, zomertaling en slobeend (Anas
clypeata) vereisen water tot in het maaiveld voor hun
vestiging in grasland. De korte vegetatie die zich ontwikkelt
bij hoge waterstanden wordt geprefereerd door kieviten en
tureluurs (Ausden 1996). Op minder natte plaatsen kan het gras
eerder in het voorjaar opschieten wat voordeling is voor de
grutto’s.
Een weidevogelgebied richt zich in de eerste plaats op zoveel
mogelijk soorten. Om aan al de vereisten van zowel kuikens als
volwassen vogels van verschillende soorten te voldoen wordt best
een hydrologische mozaïek gecreëerd met vochtgehaltes die van
zeer nat tot vochtig gaan. Zo’n mozaïek kan ontstaan door
enerzijds de watertafel te verhogen en anderzijds microreliëf
te creëren waardoor lage, zeer natte delen afgewisseld worden
met iets hoger gelegen en dus drogere delen. In het algemeen kan
de effectiviteit van agrarische natuurbeheersovereenkomsten
bevorderd worden door het verhogen van de grondwatertafel.
Bovendien wordt de densiteit en het aantal territoria
voornamelijk verklaard door de grondwaterdiepte en het gemak
waarmee voedsel gevonden wordt (Verhulst et
al. 2007).
Behalve via de grondwaterstand kan de geschiktheid van het
habitat voor weidevogels ook aangepast worden via het beheer.
Wat de voedselvoorziening betreft, biedt natuurbeheer zonder
bemesting en een uitgestelde maaidatum het beste kuikenland
(Kleijn et al.
2007). Bij nog intensief bemeste percelen biedt een uitgestelde
maaidatum geen meerwaarde voor gruttokuikens. Toch scoren reeds
gemaaide percelen nog slechter (Kleijn et
al. 2007). Kieviten zijn minder gebaat bij late
maaidata en pas gemaaide percelen kunnen voor hen een meerwaarde
bieden als geen korte vegetatie aanwezig is. Voorbeweide
percelen zijn ook belangrijk als foerageergebied voor
weidevogelkuikens. In de structuurrijke vegetatie en rond de
uitwerpselen van koeien worden veel insecten gevonden, zeker
voor kievitkuikens (Beintema et
al. 1995). De bodemfauna wordt in het algemeen
bevorderd door een lichte bemesting, behalve wanneer er
uittredende kwel tot in het maaiveld aanwezig is. In de Kalkense
Meersen is dat het geval waardoor het aan te raden is
terughoudend te zijn met bemestingsplannen. Men onderzoekt beter
eerst of nulbemesting wel tot een afname van de bodemfauna
leidt. Als dit niet het geval is hypothekeert de bemesting
alleen maar het voedsel voor de kuikens. Als toch gekozen wordt
voor bemesting opteert men best voor vaste mest met een maximum
hoeveelheid van 100 kg N ha-1 jaar-1 (inclusief jaarlijkse atmosferische depositie).
Variatie in vegetatiehoogte en geschiktheid als broedplaats
kan eveneens geregeld worden via het beheer (naast de
watertafel). Door een verlaagde mestgift zal de vegetatie
weliswaar niet zo hoog opschieten, wat bevorderlijk is voor
kieviten, maar niet voor grutto’s. Dit kan opgelost worden
door nabegrazing. Op deze manier wordt structuur aangebracht
waardoor in het volgende voorjaar snel pollen aanwezig zijn
waarin grutto’s hun nest kunnen maken (Oosterveld &
Altenburg 2005).
Verstoring kan tegengegaan worden door het bannen van verkeer
en eventueel ook door het verbieden van zachte recreatie langs
kerngebieden tijdens het broedseizoen (aangezien mensen dikwijls
hun hond loslaten).
De verschillende factoren die bijdragen tot een lager
broedsucces zoals predatie, verliezen door
landbouwwerkzaamheden, slechte habitatkwaliteit en verstoring
zijn meestal geen probleem op zichzelf. Het is de combinatie van
al deze factoren die het de weidevogels tegenwoordig lastig
maakt. Daarom moeten pogingen om het broedsucces en populaties
van weidevogels te vergroten een holistische aanpak kennen waar
al deze factoren tegelijk aangepakt worden. Voor de Kalkense
Meersen bestaat de oplossing hoogstwaarschijnlijk in het
creëren van een mozaïek in een meer open en rustiger gebied.
Deze mozaïek bevat zowel een mozaïek in hydrologische
omstandigheden als een mozaïek in maai- en beweidingsbeheer. Zo
wordt een breed spectrum aan habitattypes beschikbaar en op deze
manier is men in staat maximale ecologische potenties te
creëren voor verschillende soorten weidevogels. Tenslotte is
continuïteit in het beheer één van de belangrijkste aspecten
omdat de broedplaatstrouw bij grutto’s gekoppeld is aan het
broedsucces in de voorgaande jaren (Schekkerman et
al. 2005).
Naast deze algemene richtlijnen, waarvan de meeste ook
opgenomen zijn in de inrichtingsschets van het geactualiseerde
Sigmaplan (zie Van Ryckegem et
al. 2010), is het ook van belang te letten op ‘details’.
Oevers van beken kuikenvriendelijk inrichten kan bijvoorbeeld
ook vele kuikenlevens redden en biedt bovendien ook tal van
foerageermogelijkheden.
De inrichting van het gebied en overgang naar verschillende
habitattypes dient wel geleidelijk te gebeuren om ongewenste
effecten tegen te gaan. Als men bijvoorbeeld in een korte
periode overschakelt van zware bemesting op nulbemesting kan
pitrus oprukken en dit is niet bevorderlijk voor weidevogels.
Percelen die voor het eerst de winter zullen doorbrengen met
water tot boven het maaiveld gaan best de winter in met een zo
kort mogelijke vegetatie, om extreem anoxische condities te
vermijden (Ausden et
al. 2001). Zo kan mogelijk het negatieve effect van
overstroming op de regenwormenstand beperkt worden. Via
nabegrazing gaat de grasmat kort en structuurrijk de winter in.
Om de condities voor grutto’s in het Aubroek geschikter te
maken gelden dezelfde richtlijnen als voor de Kalkense Meersen.
Al is dit waarschijnlijk niet haalbaar op die schaal. Een
verdere uitbouw van laat gemaaide percelen zou al een pluspunt
zijn. Men moet wel beseffen dat het uitstellen van de maaidatum
zonder extensiever beheer geen meerwaarde levert voor
gruttokuikens (zie 5.7 en Kleijn et
al. 2007).
Voor het absoluut kwantificeren van broedsucces in de
toekomst beveel ik methodes aan die gebruik maken van zenderen
en/of kleurringen (o.a. schekkerman et
al. 2005) en dit in combinatie met de Mayfieldmethode
(Mayfield 1975), waarmee dagelijkse overlevingskansen van eieren
en jongen berekend worden. Enkel zo kunnen betrouwbare
uitspraken gedaan worden over het aantal jongen dat koppels gemiddeld grootbrengen en of dit voldoende is om de
populatie in stand te houden. Als er echter geen tijd en geld
voorhanden is en men wenst enkel een indicatie te krijgen van
het broedsucces dan volstaat een relatieve maat zoals het BTS
(zie instructie alarmtellingen, Nijland & van Paassen 2007).
Er moet echter wel voorzichtig omgesprongen worden met de
interpretatie van de behaalde BTS-waarden als men te maken heeft
met weinig broedparen en kleine gebieden, waar bovendien kans is
op emi- en immigratie van gruttogezinnen. Als deze methode
toegepast wordt zou ik, in tegenstelling tot wat ik gedaan heb,
wel een vaste looproute volgen die door het grasland gaat. Zo
zal een nauwkeurigere schatting verkregen worden van het BTS,
zeker in grotere gebieden.
5.9 Conclusies
1. In de Kalkense Meersen kwamen in 2009 24 koppels grutto en
minstens 55 koppels kievit tot broeden. In het Aubroek bedroeg
het aantal broedparen grutto en kievit respectievelijk 5 en 18.
2. Het weidevogelproject resulteert (voorlopig) nog niet in
een toename van de gruttopopulatie in de Kalkense Meersen.
Aanwas van gruttojongen die opgroeiden tijdens het project is
pas te verwachten vanaf 2010, wat dus de nood aan inventarisatie
in de toekomt benadrukt. Evaluaties op basis van aantallen zijn
echter moeilijk te interpreteren. Daarom evalueert men beter het
broedsucces of een relatieve maat ervan, zoals het bruto
territoriaal succes (BTS).
3. Enkel in Broekmeers was het BTS hoog genoeg om de
gruttopopulatie in stand te houden. Dit is een eerste indicatie
die aangeeft dat het weidevogelproject resultaat oplevert. Het
lage BTS in de reservaatzone is waarschijnlijk te wijten aan
predatie en verstoring. In het Aubroek speelt naast deze
factoren ook de vroege maaidatum mee. De BTS-waarden moeten met
voorzichtigheid geïnterpreteerd worden en dienen eerder ter
vergelijking van de gebieden dan als exacte waarden voor het
broedsucces.
4. Het weidevogelproject zorgt naast een reductie in
legselverliezen effectief voor een hoger aandeel niet gemaaid
grasland, wat de overleving van gruttokuikens bevordert. In
vergelijking met gebieden zonder uitgestelde maaidata zal de
grootte van het verschil afhankelijk zijn van het weer en de
oppervlakte aan beheersovereenkomsten. Uitgestelde maaidata
bieden geen meerwaarde voor gruttokuikens op intensief bemeste
percelen. Daarom worden deze beheersovereenkomsten beter
toegepast op kruidenrijke, lichter bemeste percelen of percelen
waar de gewasproductie door andere factoren beperkt wordt.
5. De overleving van legsels en kuikens is afhankelijk van
het weer. Het weer heeft namelijk een invloed op de maaidata en
het foerageersucces van kuikens. Het weidevogelproject speelt
via het uitstellen van de eerste snede in op deze weersinvloeden
en het effect ervan zal maximaal zijn bij warm en droog weer.
Het weer heeft bovendien een invloed op de voedselomstandigheden
voor volwassen vogels.
6. De eerste broedende grutto’s van de Kalkense Meersen
werden waargenomen in 1967. Nadien steeg de populatie tot een
maximum van 30 koppels in 2002. De laatste jaren stagneert de
populatie rond 25 koppels. Deze stagnatie is vermoedelijk te
wijten aan een uitbreiding van de populatie naar nabijgelegen
randgebieden als gevolg van een mindere geschiktheid van de
Kalkense Meersen.
7. Tijdens deze populatiegroei zijn de kerngebieden sterk
verschoven. Na Wijmeers werd de reservaatzone belangrijker maar
de laatste jaren neemt Broekmeers deze rol over. De oorzaken van
de verschillende verschuivingen zijn vermoedelijk te zoeken bij
veranderingen in het beheer en verstoring onder de vorm van
predatie, verkeer, landbouwwerkzaamheden of de aanwezigheid van
andere organismen die het habitat ongeschikt maken.
8. Het voedselaanbod onder de vorm van regenwormen was groter
in bemeste percelen van Broekmeers in vergelijking met niet
bemeste percelen in Molenmeers. Het aantal en de biomassa
regenwormen neemt meestal toe met bemesting maar er zijn
verschillende interacties mogelijk met het weer, de
grondwaterstand en het type bemesting. In gebieden met een
invloed van kwel is men best terughoudend met bemesting.
9. De vegetatie was bij de start van het broedseizoen hoger
in Broekmeers dan in Molenmeers. Aangezien grutto’s een hoge
vegetatie als nestplaats verkiezen, is Broekmeers waarschijnlijk
geschikter als nestplaats.
10. Kruidenrijke, schrale vegetaties staan bekend als het
beste kuikenland, zowel qua voedselaanbod (insecten) als qua
fysieke geschiktheid. Niet bemeste percelen in Molenmeers zijn
soortenrijker en kruidenrijker als bemeste percelen in
Broekmeers en daarom geschikter als kuikenland.
11. De bemonstering van regenwormen, vegetatiehoogte en de
kruidenrijkdom in deze studie is niet representatief voor de
totale oppervlakte van Broekmeers, maar enkel voor de iets
drogere (lees: minder natte), meer bemeste percelen. De laatste
jaren is het noordelijk deel van Broekmeers natter geworden met
een lagere bemesting en een korte, kruidenrijke vegetatie als
gevolg. Deze evolutie zorgt tegenwoordig voor een aanbod aan
verschillende habitattypes tijdens het broedseizoen. Plasdras
situaties in het voorjaar, een overgang van kort naar lang gras
en van kruidenrijke naar lange, forse grassen, kortom een
natuurlijke mozaïek. Als daarbij het weidevogelproject in
rekening gebracht wordt, dat in 2010 bijna de hele oppervlakte
van Broekmeers beslaat, maken deze omstandigheden Broekmeers tot
een topgebied voor weidevogels! De verschuiving van de
gruttokoppels naar Broekmeers is daarom vermoedelijk niet enkel
te wijten aan aparte factoren zoals het aantal regenwormen of de
langere vegetatie, maar aan het totale plaatje dat Broekmeers
vandaag biedt.
12. Om een breed spectrum aan weidevogels een optimaal
habitat te kunnen bieden, is het noodzakelijk de Kalkense
Meersen volgens en holistische aanpak beter in te richten en
(extensiever) te beheren. De ideale oplossing is het creëren
van een mozaïek in een meer open, rustiger en natter gebied.
Deze mozaïek bevat zowel een mozaïek in hydrologische
omstandigheden als een mozaïek in maai- en beweidingsbeheer. Zo
wordt een breed assortiment aan habitattypes beschikbaar en is
men in staat maximale ecologische potenties te creëren voor
verschillende soorten weidevogels.

Juichende grutto (Yves Adams ©
Vilda)
6 Samenvatting
Bijna alle broedende weidevogels in Europa vertonen de
laatste decennia een afname in populatiegrootte. De voornaamste
oorzaken van deze achteruitgang zijn de intensivering van het
agrarisch graslandgebruik en de toegenomen predatiedruk, met een
daling in het broedsucces als gevolg. In Nederland worden
weidevogels al redelijk lang beschermd via agrarisch
natuurbeheer maar dit levert vooralsnog niet het gewenste
resultaat. De beheersovereenkomsten bieden wel een hogere
uitkomstkans van legsels maar de mortaliteit van kuikens ligt
meestal nog te hoog.
Ondanks de negatieve vaststellingen in Nederland en andere
landen inzake populatiegrootte, wordt deze negatieve trend niet
vastgesteld in België. Er is zelfs sprake van een toename van
het broedbestand bij kievit en grutto. Ook in het studiegebied
van dit onderzoek, de Kalkense Meersen, steeg de gruttopopulatie
tijdens de afgelopen jaren. Een specifiek weidevogelbeheer is
nodig in het agrarische gebied om de weidvogels in stand te
houden. Om deze reden en als voorbereiding op het
geactualiseerde Sigmaplan, is het Regionaal Landschap
Schelde-Durme in opdracht van het Agentschap voor Natuur en Bos
en in samenwerking met de Provincie Oost-Vlaanderen in 2008
gestart met een soortenbeschermingsproject rond weidevogels in
de Kalkense Meersen. Deze studie werd opgezet om na te gaan of
de getroffen maatregelen effectief tot resultaten leiden en
vormt dus een evaluatie van dit project, met een focus op de
grutto.
Het oorspronkelijke opzet van het onderzoek streefde vier
doelstellingen na. De eerste doelstelling was het bepalen van
het aantal broedparen van grutto en kievit in de Kalkense
Meersen en het Aubroek. De effectiviteit van het
weidevogelproject werd enerzijds onderzocht door het bruto
territoriaal succes (BTS) van de grutto’s te bepalen in drie
deelgebieden. Anderzijds werd onderzocht of het
weidevogelproject in vergelijking met gangbaar agrarisch
grasland voor een hoger aandeel niet gemaaid grasland zorgt in
de kuikenperiode. Om effecten van het weidevogelproject op de
populatiegrootte te evalueren en om bepaalde trends waar te
nemen en te verklaren, werd een historisch overzicht opgesteld
van de gruttopopulatie en de broedlocaties. Uit dit historisch
overzicht bleek een duidelijke verschuiving van broedlocaties
naar bemeste percelen. Deze vaststelling riep nieuwe vragen op
en om deze van antwoord te dienen werden nieuwe doelstellingen
toegevoegd aan het onderzoek. Deze hadden als doel het verschil
in aantal en biomassa regenwormen, vegetatiehoogte en
kruidenrijkdom te bepalen tussen bemeste percelen in Broekmeers
en niet bemeste percelen in Molenmeers.
In 2009 broedden 24 koppels grutto en minstens 55 koppels
kievit in de Kalkense Meersen, in het Aubroek waren dit er
respectievelijk 5 en 18. Daaruit blijkt dat het
weidevogelproject (voorlopig) nog niet tot een toename van de
gruttopopulatie leidt. Evaluaties op basis van populatiegrootte
zijn echter moeilijk te interpreteren omdat de gevolgen van bv.
emigratie, immigratie en mortaliteit moeilijk in te schatten
zijn. Het is daarom beter om beschermingsmaatregelen te
evalueren via het broedsucces of een relatieve maat ervan, zoals
het BTS. De eerste indicatie voor de werking van het
weidevogelproject komt van de BTS-waarden, die enkel in
Broekmeers (90,9%) voldoende hoog waren om een populatie in
stand te houden. De lage waarde in de reservaatzone (21,54%) is
waarschijnlijk te wijten aan predatie en verstoring. In het
Aubroek speelt naast deze factoren ook de vroege maaidatum mee.
Het Aubroek haalde een BTS van 50%, maar deze waarde is niet
representatief omwille van het lage aantal broedkoppels. Naast
deze hoge BTS-waarde zorgt het weidevogelproject in Broekmeers
effectief voor een hoger aandeel niet gemaaid grasland, in
vergelijking met het Aubroek. In Broekmeers was tijdens de
belangrijkste kuikenperiode (mei) steeds minstens 40% (en max.
77%) meer ongemaaid grasland aanwezig dan in het Aubroek. Dit
zal ongetwijfeld bijgedragen hebben tot een hogere overleving
van jongen aangezien deze positief gecorreleerd is met het aanbod niet gemaaid grasland. De
overleving van gruttokuikens is bovendien afhankelijk van het
weer. Het weidevogelproject speelt via het uitstellen van de
eerste snede in op deze weersinvloeden en biedt naast een
reductie in legselverliezen ook effectief een hoger aandeel niet
gemaaid grasland aan.
Uit het historisch overzicht blijkt dat de eerst grutto’s
zich vestigden in 1967. In de beginjaren werden maximum vier
koppels waargenomen. Het is pas vanaf midden de jaren ’80 dat
de populatie beginnen groeien is tot een maximum van 30 koppels
in 2002. De laatste jaren stagneert de populatie rond 25
broedparen. Deze stagnatie is vermoedelijk te wijten aan een
uitbreiding van de populatie naar nabijgelegen randgebieden. Als
deze hypothese klopt, wijst dit op een mindere geschiktheid van
de Kalkense Meersen. Deze mindere geschiktheid van sommige
deelgebieden komt ook naar voor uit het historisch overzicht van
de broedlocaties. Tijdens de populatiegroei zijn de kerngebieden
van de grutto’s sterk verschoven. In de beginjaren broedden
alle koppels in Wijmeers. Vanaf 1979 trad een verschuiving op
naar de reservaatzone, dat het kerngebied bleef tot aan de piek
van de populatiegroei in 2002. Na deze piek is Broekmeers aan
een sterke uitbreiding begonnen en verloor Scherenmeersen al
zijn koppels. Momenteel zijn Broekmeers, Langendonk en Belham de
kerngebieden. De verschuivingen zijn vermoedelijk te wijten aan
een verminderde geschiktheid van het habitat door veranderingen
in het beheer en verstoring onder de vorm van predatie, verkeer,
landbouwwerkzaamheden of de aanwezigheid van andere organismen
die het habitat ongeschikt maken, zoals de uitheemse ganzen.
Het voedselaanbod onder de vorm van regenwormen was groter op
bemeste percelen van Broekmeers in vergelijking met niet bemeste
percelen van Molenmeers. In het algemeen is het aantal en de
biomassa regenwormen positief gecorreleerd met de mestgift en de
pH. Effecten van bemesting zijn dikwijls niet eenduidig vast te
stellen door interacties met andere factoren zoals het weer, de
grondwaterstand en het type bemesting. De beste resultaten
worden bereikt met stalmest, maar in gebieden waar kwel tot in
het maaiveld optreedt, moet men terughoudend zijn met bemesting.
De zuurtegraad en de hoeveelheid organische stof blijkt daar van
nature optimaal te zijn voor het in stand houden van goede
regenwormpopulaties.
De vegetatie was bij de start van het broedseizoen hoger in
Broekmeers dan in Molenmeers. Grutto’s verkiezen lang gras als
nestplaats, wat Broekmeers geschikter maakt als nestgebied. De
korte vegetatie van Molenmeers is dan weer ideaal voor kieviten,
die liever hun nest in kort gras maken.
Niet bemeste percelen in Molenmeers zijn soorten- en
kruidenrijker dan bemeste percelen in Broekmeers. Kruidenrijke,
schrale vegetaties worden beschouwd als het beste kuikenland.
Enerzijds omdat daar de grootste insecten aanwezig zijn,
anderzijds omdat de vegetatie niet te dicht wordt, waardoor
gruttokuikens minder energie verspillen tijdens hun zoektocht
naar prooien.
Uit deze resultaten blijkt Broekmeers geschikter te zijn als
nestplaats omwille van de hogere vegetatie en het hogere
voedselaanbod voor volwassen grutto’s op het moment dat ze hun
territoria kiezen. Nochtans biedt Molenmeers betere condities
voor het opgroeien van de kuikens. Dit dilemma stelt zich
tegenwoordig overal op gangbaar agrarisch grasland en grutto’s
trappen in een ecologische val omdat ze een nestplaats kiezen
die in principe minder geschikt is voor de overleving van hun
jongen. Broekmeers is de laatste jaren echter niet meer te
vergelijken met gangbaar agrarisch grasland omdat het noordelijk
deel natter geworden is. Als gevolg zijn er in het voorjaar
plasdras situaties aanwezig en overgangen van korte,
kruidenrijke vegetaties naar lange, forse grasvegetaties. De
ecologische val is op deze manier veel kleiner geworden en heeft
van Broekmeers het beste weidevogelgebied in de Kalkense Meersen
gemaakt.
Om de Kalkense Meersen geschikt te maken zodat verschillende
weidevogels zich hier echt thuis voelen en een zichzelf
regulerende populatie kunnen uitbouwen, moet het gebied volgens
een holistische aanpak beter ingericht en (extensiever) beheerd
worden. De ideale oplossing bestaat erin een mozaïek te
creëren in een meer open, rustiger en natter gebied. Deze
mozaïek bevat zowel een mozaïek in hydrologische
omstandigheden als een mozaïek in maai- en beweidingsbeheer. Op
deze manier zal een breed assortiment aan habitattypes
beschikbaar zijn en is men in staat maximale ecologische
potenties te creëren voor verschillende soorten weidevogels.
7 Dankwoord
Als eerste wil ik Peter Claus hartelijk bedanken. Hij heeft
als begeleider in belangrijke mate bijgedragen tot dit werk door
steeds tijd vrij te maken voor mij, via het aanbrengen van
nuttige ideeën en commentaar, hulp bij het veldwerk, aanbieden
van informatie en zoveel meer. Ik heb bovendien zeer veel
bijgeleerd van hem. Daarnaast wil ik mijn promotor Johan Mertens
en begeleidster Jenny De Laet bedanken voor de verdere
ondersteuning en adviezen.
Roeland Cortois, Tomas Willems, Hans Matheve, Lennert
Schepers en Peter Claus leverden een belangrijke bijdrage aan
het veldwerk. Roeland Cortois en Martijn Vandegehuchte ben ik
dankbaar voor de ondersteuning bij de statistische analyses.
Landbouwer Emiel Van Petegem en Natuurpunt gaven toestemming om
het regenwormenonderzoek op hun terreinen uit te voeren.
Veel van de gegevens die gebruikt werden voor het opstellen
van het historisch verloop van de gruttopopulatie werden ter
beschikking gesteld door Gunter De Smet, Rudi Van Onderbergen,
Dirk De Mesel, Antoon Blondeel, Rudi Clinckspoor en Peter Claus.
Nuttig commentaar op eerdere versies van dit werk werd
geleverd door Peter Claus, Jenny De Laet, Dominiek Decleyre en
Hilde Hoogewijs.
Toestemming voor het gebruik van enkele foto’s werd
verleend door Rollin Verlinde (Vilda) en Marc Van den Bril.
Dit onderzoek werd tenslotte mogelijk gemaakt door de
Universiteit Gent en Regionaal Landschap Schelde-Durme.
8 Referenties
Altenburg, W. & Wymenga, E. (2000) Help, de grutto
verdwijnt! De
Levende Natuur, 101, 62-64.
Anderson, M.J., Gorley, R.N. & Clarke, K.R. (2008)
PERMANOVA+ for PRIMER: Guide to Software and Statistical
Methods.
Ausden, M. (1996)
The
effects of raised water levels on food supply for breeding
waders on lowland wet grassland. PhD
Thesis, University of East Anglia, Norwich, UK.
Ausden, M., Sutherland, W.J. & James, R. (2001) The
effects of flooding lowland wet grassland on soil
macroinvertebrate prey of breeding wading birds. Journal
of Applied Ecology, 38, 320-338.
Baines, D. (1990) The Roles of Predation, Food and
Agricultural Practice in Determining the Breeding Success of the
Lapwing (Vanellus
Vanellus) on
Upland Grasslands. Journal
of Animal Ecology, 59, 915-929.
Beintema, A.J., Dunn, E. & Stroud, D. (1997) Birds and
wet grasslands. Farming
and birds in Europe: the Common Agricultural Policy and its
Implications for Bird Conservation (eds
Pain, D.J. & Pienkowski, M.D.), pp. 269-296. Academic Press,
San Diego.
Beintema, A.J., Moedt, O. & Ellinger, D. (1995)
Ecologische
atlas van de Nederlandse weidevogels. Schuyt
& Co, Haarlem.
Bellebaum, J. & Bock, C. (2009) Influence of ground
predators and water levels on Lapwing Vanellus
vanellus breeding
success in two continental wetlands. Journal
of Ornithology, 150, 221-230.
Besbeas, P., Freeman, S. N., Morgan, B. J. T. &
Catchpole, E. A. (2002) Integrating mark-recapture-recovery and
census data to estimate animal abundance and demographic
parameters. Biometrics, 58, 540-547.
Borek, V., Morra, M.J., Brown, P.D. & Mccaffrey, J.P.
(1995) Transformation of the Glucosinolate-Derived
Allelochemicals Allyl Isothiocyanate and Allylnitrile in Soil. Journal
of Agricultural and Food Chemistry, 43, 1935-1940.
Bos, F. & Vugteveen, P. (2005) Kraaiachtigen een
bedreiging voor weidevogels? Een literatuuronderzoek naar de rol
van kraaiachtigen als predator en de invloed daarvan op
weidevogels. Wetenschapswinkel
Biologie, Rapport 67.
Rijksuniversiteit Groningen, Haren.
Brandsma, O.H. (1999) Het belang van bemesting voor het
voedselaanbod van weidevogels. De
Levende Natuur, 100, 118-123.
Busche, G. (1994) The Decline of Wet-Meadow Birds in
Schleswig-Holstein Germany from 1950 to 1992. Journal
Fur Ornithologie, 135, 167-177.
Caekebeke, L. & de Bruycker, P (1984) Het ornitologisch
belang van de Kalkense Meersen. Wielewaal, 50, 338-356.
Claus, P. (2005) De broedvogels van de Kalkense Meersen.
Tronk, 3, 8-25.
Čoja, T.,
Zehetner, K., Bruckner, A., Watzinger, A. & Meyer, E. (2008)
Efficacy and side effects of five sampling methods for soil
earthworms (Annelida, Lumbricidae). Ecotoxicology
and Environmental Safety, 71, 552-565.
Curry, J.P. (2004) Factors affecting the abundance of
earthworms in soils. Earthworm
Ecology (ed
C. A. Edwards), pp. 91-114. CRC press LLC, Boca Raton, FL.
Darwin, C. (1881)
The
Formation of Vegetable Mould Through the Action of Worms. Murray,
London, UK.
Degezelle, T., Kongs, T., Martens, L., Vercoutere, B. &
Hoffmann, M. (2004) Ontwerp- ecosysteemvisie Kalkense meersen en
Berlare broek: een verkenning van natuurpotenties. AMINAL,
Brussel.
Devos, K., Vermeersch, G. & Jacob, J.P. (2003) Population
estimates of breeding waders in Belgium. Wader
Study Group Bull.
Estevez, B., N'Dayegamiye, A. & Coderre, D. (1996) The
effect on earthworm abundance and selected soil properties after
14 years of solid cattle manure and NPKMg fertilizer
application. Canadian
Journal of Soil Science, 76, 351-355.
Green, R.E. (1988) Effects of Environmental factors on the
timing and succes of breeding of Common Snipe Gallinago
gallinago (Aves,
Scolopacidae). Journal
of Applied Ecology, 25, 79-93.
Groen, N.M. (1993) Breeding site tenacity and natal
philopatry in the black-tailed godwit Limosa
l. limosa. Ardea, 81, 107-113.
Hagemeijer, W.J.M., Blair, M.J., van Turnhout, C., Bekhuis,
J. & Bijlsma, R. (1997) EBCC
Atlas of European Breeding Birds: their Distribution and
Abundance. Poyser,
London.
Hansen, S. & Engelstad, F. (1999) Earthworm populations
in a cool and wet district as affected by tractor traffic and
fertilisation. Applied
Soil Ecology, 13, 237-250.
Huijsmans, J.F.M., Schröder, J.J., Vermeulen, G.D., de
Goede, R. G. M., Kleijn, D. & Teunissen, W.A. (2008)
Emissiearme mesttoediening. Ammoniakemissie, mestbenutting en
nevenaspecten. Rapport
195. Plant
Research International B.V., Wageningen.
Hut, H. & Helmig, F. (2003) Valt hier nog wat te vreten?:
onderzoek naar de relaties tussen voedsel, zuurgraad en
broedende weidevogels. Staatsbosbeheer, Regio
Fryslân/Groningen-Drenthe.
Kleijn, D., Berendse, F., Smit, R. & Gilissen, N. (2001)
Agri-environment schemes do not effectively protect biodiversity
in Dutch agricultural landscapes. Nature, 413, 723-725.
Kleijn, D., Dimmers, W., van Kats, R., Melman, D. &
Schekkerman, H. (2007) De voedselsituatie voor gruttokuikens bij
agrarisch mozaïekbeheer. Alterra-rapport
1487.
Alterra, Wageningen.
Kruk, M., Noordervliet, M.A.W. & terKeurs, W.J. (1997)
Survival of black-tailed godwit chicks Limosa
limosa in
intensively exploited grassland areas in The Netherlands. Biological
Conservation, 80, 127-133.
Kuijper, D.P.J., Wymenga, E., Van Der Kamp, J. & Tanger,
D. (2006) Wintering areas and spring migration of the
Black-tailes Godwit. Bottlenecks and protection along the
migration route. A&W-rapport
820.
Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Veenwouden.
Ma, W.C., Brussaard, L. & Deridder, J.A. (1990) Long-Term
Effects of Nitrogenous Fertilizers on Grassland Earthworms
(Oligochaeta, Lumbricidae) - Their Relation to Soil
Acidification. Agriculture
Ecosystems & Environment, 30, 71-80.
Mather, J.G. & Christensen, O. (1988) Surface movements
of earthworms in agricultural land. Pedobiologia, 32, 399-405.
Mather, J.G. & Christensen, O. (1992) Surface Migration
of Earthworms in Grassland. Pedobiologia, 36, 51-57.
Mayfield, H.F. (1975) Suggestions for calculating nest
succes. Wilson
Bull., 87, 456-467.
Melman, D., van de Boel, P., Dijkstra, J., Oosterveld, E.,
van Paassen, A., Schotman, A., Terwan, P. & van 't veer, R.
(2008) Voorstel bouwstenen nieuwe weidevogelpakketten agrarisch
natuurbeheer in een notendop. wat regelen we in Nederland, wat
in Brussel? Rapport
DK nr. 2008/098.
Directie Kennis, Ministerie van LNV, Ede.
Nijland, F. (2002) Project alarm, een verkennend onderzoek
naar territoriaal succes van scholekster, kievit, grutto en
tureluur in de periode 1997-2000 in fyslan. Publcatie
nr. 12.
Bureau N, Leeuwarden.
Nijland, F., Schekkerman, H. & Teunissen, W. (in
voorbereiding) Methodes monitoring weidevogels.
Nijland, F. & van Paassen, A. (2007) Instructie
Alarmtellingen; tellingen van paren en gezinnen van scholekster,
kievit, grutto, tureluur en wulp. Publicatie
Bureau N nr. 27.
Landschapsbeheer Nederland, Utrecht. , Leeuwarden.
Oosterveld, E. (2006) Betekenis van waterpeil en bemesting
voor weidevogels. De
Levende Natuur, 107, 134-137.
Oosterveld, E.B. & Altenburg, W. (2005)
Kwaliteitscriteria voor weidevogelgebieden, met toetslijst. A&W-rapport
412.
Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Veenwouden.
Ottvall, R. (2005) Breeding success and adult survival of
Redshank Tringa
totanus on
coastal meadows in SE Sweden. Ardea, 93, 225-236.
Peach, W.J., Thompson, P. S. & Coulson, J. C. (1994)
Annual and Long-Term Variation in the Survival Rates of British
Lapwings Vanellus-Vanellus. Journal
of Animal Ecology, 63, 60-70.
Pelosi, C., Bertrand, M., Capowiez, Y., Boizard, H. &
Roger-Estrade, J. (2009) Earthworm collection from agricultural
fields: Comparisons of selected expellants in presence/absence
of hand-sorting. European
Journal of Soil Biology, 45, 176-183.
Plum, N.M. & Filser, J. (2005) Floods and drought:
Response of earthworms and potworms (Oligochaeta : Lumbricidae,
Enchytraeidae) to hydrological extremes in wet grassland. Pedobiologia,
49, 443-453.
Raes, N., Hoogeboom, D., Baas, T., Visbeen, F. &
Scharringa, K (2010) Grutto's in de Krommenieër Woudpolder,
Weijenbus en Vroonmeer, Polder de Zeevang-West, en Waerland-Oost
in 2009. Rapportnummer:
LNHOA-010-03.
Schekkerman, H. (1997) Graslandbeheer en groeimogelijkheden
voor weidevogelkuikens. IBN-rapport
292. IBN-DLO,
Wageningen.
Schekkerman, H. (2008)
Precocial
problems. Shorebird chick performance in relation to weather,
farming and predation.
Proefschrift ter verkrijging van het doctoraat in de Wiskunde en
Natuurwetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Schekkerman, H. & Beintema, A.J. (2007) Abundance of
invertebrates and foraging success of Black-tailed Godwit Limosa
limosa chicks
in relation to agricultural grassland management. Ardea, 95,
39-54.
Schekkerman, H. & Müskens, G. (2000) Produceren grutto's
Limosa limosa in
agrarisch grasland voldoende jongen voor een duurzame populatie?
Limosa, 73, 121-134.
Schekkerman, H., Teunissen, W. & Oosterveld, E. (2005)
Resultaatonderzoek Nederland Gruttoland; broedsucces van
grutto's in beheersmozaïeken in vergelijking met gangbaar
agrarisch graslandgebruik. Alterra-rapport
1291.
Alterra, Wageningen.
Schekkerman, H., Teunissen, W. & Oosterveld, E. (2008)
The effect of 'mosaic management' on the demography of
black-tailed godwit Limosa
limosa on
farmland. Journal
of Applied Ecology, 45, 1067-1075.
Siepel, H. (1990) The influence of management on food size in
the menu of insectivorous animals. Proceedings
in experimental & applied Entomology, N.E.V. Amsterdam, 1,
69-74.
Siepel, H., Slim, P.A., Ma, W., Meijer, J., Wijnhoven, H.A.H,
Bodt, J. & van Os, L.J. (1990) Effecten van verschillen in
mestsoort en waterstand op vegetatie en fauna van klei-op-veen
graslanden in de Alblasserwaard. RIN-rapport
90/8, pp. 49
p. RIN, Arnhem.
Standen, V. (1984) Production and Diversity of Enchytreids,
Earthworms and Plants in Fertilized Hay Meadow Plots. Journal
of Applied Ecology, 21, 293-312.
Stephens, P.A., Sutherland, W. J. & Freckleton, R. P.
(1999) What is the Allee effect? Oikos, 87, 185-190.
Svensson, L., Grant, P.J., Mullarney, K. & Zetterström,
D. (2008) Vogelgids
van Europa. ANWB,
Den Haag.
Teunissen, W., Schekkerman, H., Willems, F. & Majoor, F.
(2008) Identifying predators of eggs and chicks of Lapwing Vanellus
vanellus and
Black-tailed Godwit Limosa
limosa in the
Netherlands and the importance of predation on wader
reproductive output. Ibis, 150, 74-85.
Teunissen, W.A. (2000) Grutto alarm.
SOVON-nieuws,
pp. 13:14.
Teunissen, W.A., Schekkerman, H. & Willems, F. (2005)
Predatie bij weidevogels. Op zoek naar de mogelijke effecten van
predatie op de weidevogelstand. Soven-onderzoeksrapport
2005/11.
Sovon Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen.
Thorup, O. (2006) Breeding Waders in Europe 2000.
International
Wader Studies.
International Wader Study Group, UK.
Timmerman, A., Bos, D., Ouwehand, J. & de Goede, R.G.M.
(2006) Long-term effects of fertilisation regime on earthworm
abundance in a semi-natural grassland area. Pedobiologia, 50,
427-432.
Trolliet, B. (2000) Plan de Gestion de l'Union Européenne
pour le Vanneau huppé Vanellus
vanellus. Contrat
97/162/3040/DEB/D2.
Commission Européenne Direction générale XI. , Brussel.
van Damme, D. & Lostrie, C. (1987)
Het
kasteel en de meersen. Uitgeverij
Groeninghe n.v.
Van Impe, J. (2003) Voortplantingssucces van kievit
Vanellus
vanellus,
grutto Limosa
limosa en
tureluur Tringa
totanus te
Antwerpen-Linkeroever. Natuur.oriolus, 69, 45-59.
Van Ryckegem, G., Piesschaert, F. & Van den Bergh, E.
(2010) Ecosysteemvisie cluster Kalkense meersen (zone 1). Studie
t.b.v. aanleg overstromingsgebieden en natuurgebieden i.h.k.v.
het SIGMAPLAN. INBO.R.2010.3.
Verhulst, J., Kleijn, D. & Berendse, F. (2007) Direct and
indirect effects of the most widely implemented Dutch
agri-environment schemes on breeding waders. Journal
of Applied Ecology, 44, 70-80.
Verkem, S., De Maeseneer, J, Vandendriessche, B, Berbeylen, G
& Yskout, S (2003) Zoogdieren
in Vlaanderen. Ecologie en verspreiding van 1987 tot 2002. Natuurpunt
Studie & JNM-Zoogdierenwerkgroep, Mechelen & Gent,
België.
Vermeersch, G., Devos, K. & Anselin, A. (2006)
Weidevogels in Vlaanderen. De
Levende Natuur, 107, 75-80.
Vickery, J.A., Tallowin, J.R., Feber, R.E., Asteraki, E.J.,
Atkinson, P.W., Fuller, R.J. & Brown, V.K. (2001) The
management of lowland neutral grasslands in Britain: effects of
agricultural practices on birds and their food resources. Journal
of Applied Ecology, 38, 647-664.
Visser, G.H. & Ricklefs, R.E. (1993) Development of
Temperature Regulation in Shorebirds. Physiological
Zoology, 66, 771-792.
Willems, J.H., Peet, R. K. & Bik, L. (1993) Changes in
chalk-grassland structure and species richness resulting from
selective nutrient additions. Journal
of Vegetation Science, 4, 203-212.
Wilson, A.M., Ausden, M. & Milsom, T.P. (2004) Changes in
breeding wader populations on lowland wet grasslands in England
and Wales: causes and potential solutions. Ibis, 146, 32-40.
Wymenga, E. & Alma, R. (1998) Onderzoek naar de
achteruitgang van weidevogels in het natuurreservaat De Gouden
Bodem. A&W-rapport
170.
Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Veenwouden.
Zhang, Y.S. & Talalay, P. (1994) Anticarcinogenic
Activities of Organic Isothiocyanates - Chemistry and
Mechanisms. Cancer
Research, 54, S1976-S1981.
Internetbronnen
:
www.kmi.be
www.gisoost.be
www.waarnemingen.be
9 Bijlagen
Bijlage I. Broedparen en bruto territoriaal succes

Tabel 9.1. Aantal broedparen dat op de aangegeven data
(2009) werd vastgesteld in de verschillende deelgebieden.
Aangezien het volledige studiegebied soms niet in één dag
geïnventariseerd kon worden, zijn af en toe twee data samen
genomen. Op die twee dagen werd het hele studiegebied
geïnventariseerd. Een leeg vak duidt erop dat het deelgebied op
die datum niet geteld werd.

Tabel 9.2. Aantal broedparen dat op de aangegeven data
(2009) werd vastgesteld in het Aubroek.

Figuur 9.1. Exacte locatie
van de gruttonesten in 2009.
Bijlage II. Historisch verloop
gruttopopulatie (randgebieden)

Tabel 9.3. Aantal broedparen
in de randgebieden (1998-2009). Lege vakken verwijzen naar
ontbrekende gegevens.
Bijlage III. Kruidenrijkdom

Tabel 9.4. Lijst met
gedetermineerde plantensoorten op bemeste percelen in Broekmeers
en niet bemeste percelen in Molenmeers.
Top
|